Is er een dokter in de zaal?

Arjan Gunst vertelt hoe hij met een koolhydraatberperkte voeding zijn diabetes type 1 controleert. Naast hem Ina van de Nes en Wim Tilburgs. (Foto: Yvonne Lemmers)

Twee dingen goed onthouden (Joop den Uyl):

1 Artsen redden dagelijks levens met hun voortreffelijke acute zorg en verdienen daarvoor het grootste respect. We mogen de Lieve Heer op onze blote knietjes danken dat we in Nederland wonen, want er zijn weinig plekken in de wereld waar de acute zorg zo goed voor elkaar is als hier. Hartinfarct? Beroerte? Plat als een pannenkoek op het asfalt? Breng mij alsjeblieft met zo’n hypermoderne ambulance of helikopter naar de witte jassen.

2 Artsen die nieuwsgierig zijn naar het evolutionaire perspectief op ziekte en gezondheid en zelfs de moeite nemen een congres daarover te bezoeken, zijn helden.

Op het gesmeerd verlopen en volgens mij goed ontvangen derde Nederlandse Ancestral Health Symposium afgelopen zaterdag in Maastricht was voor het eerst ook een sessie ‘Experts by experience’, waarin drie patiënten vertelden over de resultaten die zij hebben geboekt door hun leefstijl en met name hun voeding meer in overeenstemming te brengen met de omstandigheden waaronder de menselijke fysiologie is geëvolueerd. Moedig en openhartig vertelden zij over de transformatie die zij hebben doorgemaakt nadat zij tegen de adviezen van hun zorgverleners in een paleo-achtig en/of LCHF voedingspatroon zijn gaan volgen.

Ik wil deze ervaringen later uitvoeriger beschrijven, maar zal ze in deze post heel kort doornemen.

Arjan Gunst (25) heeft sinds zijn negende diabetes type 1. Zoals zoveel mensen met deze aandoening maakte hij in zijn pubertijd een ontkenningsfase door en verwaarloosde hij zijn ziekte, maar toen hij de realiteit accepteerde besloot hij zich voorbeeldig te gedragen en zijn ziekte zo goed mogelijk te managen. Precies volgens de richtlijnen van zijn internist en diabetesverpleegkundige at hij volgens de Schijf van Vijf en compenseerde hij zijn koolhydraatinname met exogene insuline. Het resultaat was de gebruikelijke bloedsuikerachtbaan en de torenhoge HbA1c’s die voor deze categorie diabeten vrij normaal zijn. Toen Arjans oogarts vorig jaar beginnende retinopathie vaststelde, besloot hij dat er wat moest gebeuren. Gesteund door zijn ouders die zelf al eerder een paleo-achtige leefstijl waren gaan volgen omdat ze zo functioneel mogelijk ouder willen worden, verlaagde hij zijn koolhydraatinname dramatisch. In die omschakeling werd hij intensief begeleid door diëtiste en diabetesverpleegkundige Harriët Verkoelen, misschien wel de allereerste zorgprofessional die Nederlandse diabeten met een koolhydraatarm voedingspatroon op het droge begon te helpen. Het effect laat zich raden. Zijn insulinebehoefte daalde enorm, zijn bloedsuikers werden laag en stabiel, zijn HbA1c halveerde en is nog steeds dalend, hij voelt zich veel beter en zijn retinopathie verdween. Allemaal al vele malen eerder gedocumenteerde waarnemingen en logisch bovendien. Zijn artsen daarentegen, vinden het maar niets. Ze zijn niet geïnteresseerd in het waarom van de spectaculaire verbetering, voorspellen hel en verdoemenis en doen tot op de dag van vandaag verwoede pogingen om hem op andere gedachten te brengen. Tijdens de sessie in Maastricht zei Arjan daarover enigszins besmuikt: ‘Ik heb, in alle bescheidenheid, het gevoel dat ik ze niet echt nodig heb.’

Ina van de Nes werd in haar vroege jeugd op allerlei onvoorstelbare manieren gruwelijk misbruikt. Haar hersenen kozen als overlevingsstrategie voor de meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Ze kent vrijwel alle psychiaters van Nederland en er was een periode dat haar dagvoorraad medicijnen niet in een Albert Heijn tas paste. Bij wijze van spreken. Ze kreeg ook aortaklepinsufficiëntie, maar dat was een bijzaak in alle ellende. Een toevallige ontmoeting met de hier welbekende Hannie Schaft-achtige diëtiste Connie Hoek bracht Ina op het evolutiegeneeskundige pad. Ze voerde een paleo-achtig eetpatroon in. Om een heel lang verhaal wat af te snijden, vandaag leidt ze zonder medicatie een min of meer normaal leven en de nog niet zo lang geleden aangekondigde hartklep-operatie is voor onbepaalde tijd uitgesteld. Niet meer nodig, oordeelt de cardioloog. Ook haar behandelaars hebben weinig belangstelling voor het waarom van haar plotselinge en toch vrij opmerkelijke vooruitgang. Ina’s eigen verklaring is dat de correctie van haar fysiologie haar brein de energie geeft om de trauma’s op een productievere manier te verwerken. Wat mij logisch in de oren klinkt. Ina vraagt zich af hoe intelligente mensen die met de beste bedoelingen voor geneeskunde kozen, zo weinig belangstelling voor biologie en opmerkelijke klinische waarnemingen kunnen hebben.

Nummer drie: Wim Tilburgs. Bezoekers van deze plek kennen hem als de Libanonveteraan die zijn diabetes type 2 en de vele complicaties die hij al had ontwikkeld omkeerde met een ketogeen dieet. In Maastricht vertelde Wim over een minder bekende kant van zijn transformatie. Voordat Wim diabetes ontwikkelde had hij last van oorlogsverslaving. Mensen die gedurende langere tijd geregeld in een besloten groep aan groot gevaar bloot staan, vallen als ze weer terugkeren naar meer normale omstandigheden in een gat. Ze missen het gevaar en de kameraadschap en gaan op zoek naar kicks. Wim deed heel gekke dingen, waar hij liever niet te veel over uitweidt. Wel vertelde hij: ‘Als veteraan ben je in potentie gevaarlijk, dus werd ik, terecht, nu en dan in een isoleercel gezet.’ Toen hij diabetes kreeg en geen energie meer had, sloeg het thrill seeking copingmechanisme om in een klinische depressie. Long story short: Wims brein is nadat hij zijn levensstijl omgooide in balans gekomen. Hij is niet meer depressief, maar hij heeft ook geen behoefte om onverantwoorde risico’s op te zoeken. Ook Wim kon al zijn psychiatrische medicatie bij het klein chemisch afval dumpen en ook Wim ontmoette bij zijn hulpverleners slechts een glazige blik.

Er zaten zaterdag heel wat artsen in de zaal. Fantastisch. Wat ik mij als moderator van deze sessie niet direct realiseerde is dat de volstrekt invoelbare verontwaardiging van de drie patiënten en mijn waarschijnlijk hier en daar licht snerende opmerkingen aan het adres van de behandelaars, de dokters in de zaal tegen de borst zouden kunnen stuiten. Later hoorde ik van mede-organisator Birgit, die zelf huisarts is, dat meerdere goedbedoelende artsen zich min of meer te kakken gezet voelden. Overigens niet alleen bij de sessie over patiëntervaringen, ook bij de lezing van Hanno Pijl, waar een mevrouw op een bepaald moment uitriep: ‘Maar hierover heb ik tijdens mijn opleiding niets gehoord.’

En dat is natuurlijk niet de bedoeling. Ik zou de dokters die zich onheus aangesproken voelden willen vragen zich even te verplaatsen in de huid van die drie patiënten. Zij deden precies wat jullie professie hen opdroeg te doen en werden zieker en zieker. Toen zij tegen deze adviezen ingingen, werden zij beter. Vervolgens ontmoetten zij vooral boosheid en tegenwerking. Hun verontwaardiging is volkomen normaal, maar zeker niet gericht tegen artsen die wel bereid zijn om zelf na te denken. Daarvan komen er steeds meer en ik denk dat ik namens de hele organisatie van AHSNL spreek als ik zeg dat we beretrots zijn dat een paar van hen er bij waren in Maastricht. Jullie zijn helden, alleen al omdat jullie luisterden. Thanks.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | 148 reacties

AHS in Maastricht, Hadza-knollen en spreker Stephanie Schnorr

Zoals een geschiedenisleraar die ik tot op de dag van vandaag nog eens hoop tegen te komen in een verlaten steegje ergens in de jaren ’70 altijd zei in de met zinderende verwachting bezwangerde weken voor de grote vakantie: Nog acht poopie days! In ongeveer dezelfde geest zeg ik ook vandaag ‘Nog acht poopie days!’, want op zaterdag 30 september wordt aan de Faculty of Psychology and Neuroscience van de Universiteit van Maastricht het derde Nederlandse Ancestral Health Symposium gehouden. Zie hier voor het programma. Er hebben zich inmiddels al 6 mensen ingeschreven, onder wie 2 lezers van dit blog, dus je kunt je voorstellen dat we als organisatie op een wolkje zitten. Van zo’n opkomst hadden we niet durven dromen. Het is vooral fijn voor onze gewaardeerde huisarts en huisartsenopleider Birgit, die zo ongeveer het onmogelijke heeft verricht om een en ander logistiek van de grond te tillen. Echt, de overweldigende belangstelling van al die mensen die iets willen terugdoen voor de informatie die ze hier en via andere aan het symposium gelieerde kanalen krijgen toegeschoven is hartverwarmend. Dank, dank, dank.

Het zal zaterdag over een week vooral een hands on aangelegenheid worden. Veel lezingen van clinici die evolutionaire geneeskunde in de een of andere vorm in hun eigen praktijk toepassen en zullen vertellen over onder andere hun resultaten, eventuele valkuilen en over de bejegening door collega’s en instanties die dat gedoe met Darwin maar vaag vinden. Daar hebben we dit jaar bewust voor gekozen, met als resultaat dat accreditatie voor huisartsen prompt werd geweigerd op grond van ‘te onwetenschappelijk’. Vorig jaar werd ook al moeilijk gedaan over Alessio Fasano met zijn verdachte praatjes over gluten en tight junctions, ook al lieten we hem in debat gaan met een uitgesproken scepticus. Accreditatiecommissies zijn allergisch voor twee dingen: klinische waarnemingen en wetenschappelijk onderzoek naar zaken die nog niet kristalhelder op de radar van de mainstream staan. Dit alles ter verdediging van de status quo. Veronderstel dat dokters zelf zouden gaan nadenken en stoute conclusies zouden trekken. Dat moeten we niet hebben. Overigens heeft Birgit voor de diëtisten merkwaardig genoeg wel de volledige accreditatiepot kunnen binnenslepen, waarvan akte.

Anyway, min of meer op het laatste moment hebben we ook besloten nog een extra hard core wetenschapper naar Maastricht te halen: archeologe Dr. Stephanie Schnorr, verbonden aan onder meer de Human Origins Group aan de Universiteit van Leiden, de Universiteit van Oklahoma en het Max Planck Instituut in Leipzig. Stephanie heeft onderzoek gedaan naar het microbioom van de Hadza, jager-verzamelaars in een uithoek van Tanzania die leven van knollen, baobab en, als de jacht uitkeert, vlees. Het zal niet verbazen dat ze in de met veel tact ingezamelde poepmonsters een veel grotere variëteit aan bacterien vond dan gebruikelijk is in de poepmonsters van mensen die een SDCD eten. Maar dat wisten we eigenlijk al dankzij Jeff Leach. Veel interessanter was – vind ik – dat ze de knollen die de Hadza eten grondig analyseerde. Eten die mensen met al die knollen minstens zo hoogglycaemisch als de gemiddelde Westerling? En klopt Richard Wranghams door Natuurwinkelvolk doodgeknuffelde theorie dat wij onze complexe hersenen te danken hebben aan het koken van knollen, die ‘immers’ de energie voor dat peperdure weefsel kunnen leveren?

Om dat uit te zoeken mikte Stephanie zowel rauwe als gekookte Hadza-knollen in het kunstmatige spijsverteringsstelsel dat staat opgesteld bij TNO in Zeist (niet ver van waar ik mijn cum laude afgeronde studie tot fietsenmaker volgde, maar dit terzijde). Het apparaat heeft een knedende maag die zoutzuur produceert, een dunne darm die met behulp van pancreassappen en galzuren voedingsstoffen afbreekt en opneemt, een in het geval van dysbiose voortdurend ruftende colon, et cetera. Het is een vrij uniek ding. Je kunt hem huren, maar de wachtlijst is lang. Wat vond ze? Ten eerste is het zetmeelgehalte van de Hadza-knollen – en dus van de knollen die wij als (wannabe) sapiens zullen hebben gescoord – veel en veel lager dan het zetmeelgehalte van een aardappel. Beide zijn knollen, maar daar houden alle overeenkomsten op. Koken en roosteren, zo ontdekte de Amerikaanse, veranderde vrijwel niets aan de zetmeelsamenstelling en beschikbaarheid. De knollen waarop wij evolueerden bevatten veel water, veel vezel en kleine beetjes zetmeel. Niets minder dan een falsifiëring van de Wranghamianen.

Het knollenonderzoek geeft steun aan de theorie die een van de belangrijkste pijlers van dit blog vormt: die van de cellulaire versus acellulaire koolhydraatbronnen van de microbioloog en binnenkort arts Ian Spreadbury, aka The Spread. Ik heb hier al zo vaak over uitgeweid dat ik je er niet nogmaals mee zal vermoeien. Als AHSNL overleeft willen we in de toekomst een symposium organiseren met als thema Ancestral Macronutrients; Did They Differ And Does It Matter, starring onder anderen Ian Spreadbury. Hij wil heel graag komen, zit alleen altijd krap in de tijd. Wie zaterdag 30 september naar Maastricht komt, krijgt alvast een voorproefje. Ik heb begrepen dat studenten voor een habbekrats naar binnen kunnen. Doe er je voordeel mee!

Geplaatst in Uncategorized | 39 reacties

Plantaardig eten: kanttekeningen bij Little Shop of Horrors concept

Marcel plaatste deze interessante lezing van Amber O´Hearn:

Ik plaatste een paar overwegingen die bij nader inzien best even in een apart postje kunnen. Ik denk grotendeels volgens Ambers lijnen, maar trek voorlopig andere conclusies.

1. Vlees van landdieren levert niet voldoende DHA en jodium om de ontwikkeling van het grote en vooral complexe sapiens brein te kunnen faciliteren. Ze negeert Cunnane et al.

2. Homo sapiens is een luxedier. De soort heeft zich gespecialiseerd in het benutten van gemakkelijk te assimileren, voedingsrijke bronnen, die vrijwel volledig in onze ten opzichte van andere apen enorme dunne darm kunnen worden opgenomen. Zeebanket en vlees, maar ook zetmeelrijke wortelstelsels. Problematisch wordt deze voeding pas als hij een kritische energiedichtheid overschrijdt en metabole endotoxemie veroorzaakt (Spreadbury).

3. Ondanks alles hebben we 5 miljoen jaar als blad-eters achter de kiezen. We kunnen er geen energie meer aan onttrekken – we ruilden immers het reusachtige fermentatievat (de ellenlange colon) in voor een ongekend lange dunne darm – maar we beschikken nog wel over een lever die uitstekend overweg kan met het chemische oorlogstuig dat groenvoer op ons afvuurt.

4. De problemen die veel mensen ervaren op een mixed diet worden waarschijnlijk voor een groot deel veroorzaakt door de lectines van planten en zaden die na de landbouwrevolutie deel van onze voeding zijn gaan uitmaken. Bonen, granen, pinda’s, cashews, nachtschades, etc, no bueno, al doet de snelkookpan vaak wonderen.

5. Je zult altijd een darmflora hebben, want je leeft niet in een steriele vacuümtent. Een zo divers mogelijke populatie lijkt als je geen steriele muis bent het meest gunstige perspectief te bieden. Een all meat diet geeft niet zo’n geweldig resultaat in dat opzicht, al kan het bepaalde mensen helpen omdat het kwalijke populaties die de overhand hebben gekregen uithongert.

6. Oxidatieve insulten zijn niet per se slecht. Ik ken het onderzoek dat Amber aanhaalt waarin eliminatie van flavonoïden markers van oxidatieve stress omlaag brengt. Dat lijkt gunstig, maar is het mogelijk niet. Ten eerste dragen flavonoïden bij aan de diversiteit van het microbioom en dus aan balans, ten tweede duidt steeds meer onderzoek erop dat een zekere mate van achtergrond toxiciteit en oxidatieve stress onze mitochondriën fit en flexibel houdt. Hormese is beslist geen fringe concept.

7. Ik ben een fervent spotter van fenotypes, een zeer onwetenschappelijke hebbelijkheid, ik weet het. Maar goed, het valt me op dat all meaters op een enkele uitzondering na geen gezond fenotype aan de dag leggen. Dat kan komen omdat ze over het algemeen van ver komen. Maar ik het weet het niet…

8. Neu5gc. Lijkt toch problematischer te zijn dan ‘we’ dachten. Lastig voor het traditionele paleo concept, geen punt voor een coastal dweller 🙂  .

Overigens hebben wij straks op AHS in Maastricht in de sessie Patients Experiences een mevrouw die haar bipolaire stoornis juist in bedwang kreeg met een Paleo voeding rijk aan bronnen van resistent zetmeel. Puur ketogeen doet de klachten paradoxaal genoeg terugkomen.

Geplaatst in Uncategorized | 62 reacties

Zomerreflecties van een would be fietsenmaker

Goeiemiddag. Long time no see!

Journalist Ellen de Visser heeft in De Volkskrant een stukje geschreven waarin ze het sluimerende, onzindelijke ressentiment tegen de notie dat voeding een krachtige interventie kan zijn bij en ter preventie van metabole ziekten weer eens handig exploiteert, ter meerdere eer en glorie van haar eigen weldenkende, maar opvallend vaak zichtbaar metabool gemankeerde cohort. Ook ik maakte me zeker tien jaar geleden vaak schuldig aan het zinspelen op orthorexia, ondermeer hier, maar volgens mij wel iets eerlijker. De Visser maakt gretig gebruik van een beproefd retorisch trucje, door werkelijk idiote ideeën (een ei is de menstruatie van een kip) in één adem te noemen met ideeën die wortelen in harde evidence (gluten is een potentieel problematisch eiwit). Ze haalt er de usual suspects bij, onder wie Renger Witkamp, die opnieuw mag zeggen dat voedingswetenschappers maar moeten gaan samenwerken met theologen, omdat iedereen die vraagtekens plaatst bij de conventionele voedingsadviezen ‘een gelovige’ dan wel ‘een goeroe’ is. Ook Alan Levinovitz van het infectieuze boek The Gluten Lie wordt uit de kast getrokken, waarbij uiteraard nadrukkelijk onvermeld blijft dat Levinowitz later herhaaldelijk heeft gezegd dat hij het evolutionairgeneeskundige perspectief op voeding bij nader inzien uitermate rationeel vindt. Normaal gesproken ga ik niet in op het wetenschapsjournalistieke broddelwerk waar Volkskrant en NRC patent op lijken te hebben. Nu even wel, want De Visser schiet als het ware met scherp op het thema van het Ancestral Health Symposium op 30 september in Maastricht: Leefstijlinterventies. Een keur aan hardcore wetenschappers en clinici komt hier vertellen wat een voeding die meer in overeenstemming is met ons evolutionaire verleden in hun klinische praktijk voor resultaten oplevert. Een paar namen: Internist Hanno Pijl (KeerDiabetesOm), diabetesverpleegkundige Harriet Verkoelen en sportarts Hans van Kuijk, de laatste van het spraakmakende project GezondDorp Leende.

Al deze door de wol geverfde professionals komen met (deels nieuwe) resultaten die gehakt maken van het badinerende gewauwel van opportunistische broodschrijvers als De Visser en de bronnen die ze citeert. Het wordt een gedenkwaardige editie, dus mis het niet. Voor 75 euro, een schijntje, word je een dag lang bijgepraat door de beste mensen die in Nederland hun nek uitsteken voor het inzetten van interventies die de oorzaak van metabool lijden elimineren.

De radiostilte hier heeft ondermeer te maken met mijn keuze om me om te scholen tot gecertificeerd fietsenmaker 🙂 . Op 28 juli studeer ik hopelijk af, ha, ha, ha. Nog geregeld word ik gevraagd hoe het nu zit met het boek dat ik op stapel heb staan. Antwoord: goed, maar het heeft wat mij betreft geen prioriteit. Het is een extreem complex onderwerp en artikelen als dat van De Visser laten zien hoe vijandig het Volkssentiment is. Om toch iets te geven publiceer ik hieronder een makkelijk leesbaar, weinig technisch, maar relevant hoofdstuk. Er zijn inmiddels zo veel vergelijkbare cases dat ik desnoods gemakkelijk een nieuw, vergelijkbaar hoofdstuk schrijf, lol.

Een goeie zomer en hopelijk tot 30 september in Maastricht!

Paleo op een bierviltje
Eten en leven naar je DNA, geïllustreerd aan de hand van een opmerkelijke n=1

Als je vrijwillig tot hier gekomen bent, bevat het mismatch principe waarschijnlijk elementen die je aanspreken. Misschien overweeg je zelfs om de simpele interventies die er uit voortvloeien eens een poosje toe te passen. In de hoop langzaam maar zeker achteruit gaande gezondheidsparameters te verbeteren en je fitter te voelen; als stoutmoedige poging tot bezwering van een al bestaande gezondheidscrisis; of gewoon vanuit het volstrekt legitieme verlangen er ongeacht je bouwjaar appetijtelijk of in elk geval iets minder onsmakelijk uit te zien in zwembroek of bikini. Mannen op leeftijd zouden aan het avontuur kunnen beginnen op basis van een opvallend vaak gemelde bijwerking: plotseling functieherstel van het delicate neurohydraulische hefwerk in de urogenitale regio, iets wat de veelal postmenopausale vrouwen die met dit onvoorziene epifenomeen te maken krijgen en die eindelijk van hun Harry verlost dachten te zijn overigens vaak minder geslaagd vinden. In de inleiding legde ik uit dat ik zelf uiteindelijk paleo ging vanuit een puur vakmatige nieuwsgierigheid en een misschien wat obsessief streven naar behoud van functionaliteit. Ik hakte de knoop door, schrapte alle neolithische boodschappen behalve koffie, pure chocola en olijfolie (een uit zijn context gerukt vet, dus strikt genomen verboten) van mijn standaardlijstje en keek niet meer achterom. Sommige familieleden, vooral een vetfobische verpleegkundige, sloegen mijn veranderde eetgedrag aanvankelijk met argusogen gade. Tijdens werkgerelateerde etentjes trokken collega’s geregeld een wenkbrauw op als ik het brood links liet liggen of de ober vroeg de pasta uit een gerecht achterwege te laten. Maar: so freaking what. Het ligt kennelijk in mijn recalcitrante natuur om me van zulks weinig aan te trekken. Mensen zullen altijd iets van je vinden. Maar naarmate de tijd verstreek en ik via mijn blog Het Paleo Perspectief mede-aanjager werd van – ik vind het een vies woord, maar weet geen goed alternatief – een soort beweging, kwam ik erachter dat het stoïcijns doorvoeren van en volharden in een onconventionele leefstijlverandering niet voor iedereen vanzelfsprekend is. Veel mensen blijken ontzettend gehecht te zijn aan het leven zoals het altijd is geweest en geen weerstand te kunnen bieden aan groepsdruk. Zoals een nuchtere Westfriese diabetesverpleegkundige me eens plastisch met beide benen op de grond zette: zelfs als hun leven op het spel staat verkiezen veel mensen de status quo, het ‘normaal zijn’, boven een aanvankelijk turbulente, maar beproefde ontsnappingskoers uit de metabole shit, zeker als die weg ook nog eens een heel andere kant uitgaat dan die van de dokter en de diëtiste. Anderen willen wel de lusten maar niet de geanticipeerde lasten en eisen dat je met een soort compromis komt, een 80/20 regeling, paleovrije weekenden, patat-woensdagen, verantwoorde cupcakes en god weet wat voor uitvluchten, als ze maar geen harde keuze hoeven maken. Weet je wat? Het is allemaal prima. Niemand bepaalt voor een ander wat hij in zijn taartgat mikt en zeker ik niet. Je kunt dit principe zo precies of ruim toepassen als je wilt, jij bent de baas, jij kiest, niemand anders. Het resultaat van je keuze is afhankelijk van je aanleg en gezondheidstoestand.
Ik kan hooguit informatie geven. Hoe wijs je mensen praktisch de weg naar een goed begin? Op mijn blog heb ik me er vaak licht geïrriteerd vanaf gemaakt door te roepen: Bierviltje! Groenten, fruit, vlees, vis, schaaldieren, eieren, noten, knollen, koffie, thee en water, zwemmen, fietsen, sprinten, springen, wat kan daar nou zo moeilijk aan zijn. Dat werkt dus slechts zelden, zelfs als er aan de ontvangende kant serieuze belangstelling bestaat. Ongeveer vier jaar geleden kwam ik er toevallig achter hoe de vork sociaalpsychologisch ongeveer in de steel zit. En het lijkt me een goed idee om dit hoofdstuk te baseren op de ervaring die me dat inzicht verschafte. Tijd voor een hopelijk inspirerende en leerzame n=1.

In de winter van 2003 op 2004 – ik woonde toen in Zweden – voegde Henrik zich bij de vroege vogels in het overdekte 25 meter bad waar ik een keer of vier per week baantjes trok (80 in 40 minuten, voor de mede-macho’s). Henrik was een vadsige kerel van eind dertig met een fantastisch ziek gevoel voor humor. De man leek mentaal onaantastbaar te zijn. Zijn huisarts had hem aangeraden om iets aan sport te gaan doen, een advies dat hij voorzichtig wat kracht had bijgezet met een onheilspellende prognose betreffende Henriks resterende tijd op deze planeet als hij niks veranderde. Henrik deed die achtergrond met veel nonchalance en ironie uit de doeken. Hij liet er geen twijfel over bestaan dat het hem eigenlijk allemaal worst was. In die tijd zwom er ook een prettig gestoorde oogarts, met wie ik tijdens het omkleden steevast roodgloeiende twistgesprekken had over alle mogelijke medische onderwerpen, vooral over de rol van LDL in de etiologie van hart- en vaatziekten en het nut van statines. Deze Dr. Östberg was volledig gespeend van autoritaire trekjes, hij vocht puur op argumenten, een respect dat ik waarschijnlijk uitsluitend kreeg omdat ik hem er tot zijn nimmer tanende chagrijn altijd vet uitzwom. Henrik luisterde naar onze discussies met een meewarige blik van gooi maar in m’n pet. De relativerende kwinkslagen waren niet van de lucht. Maar nadat ik Östberg op een ochtend had wijsgemaakt dat er een verband is tussen tinnitus (oorsuizen) en metabool syndroom, wat hij zoals het een goede arts betaamt baarlijke nonsens vond, schoot Henrik me bij het fietsenrek aan. Van Henrik de onaantastbare was plotseling weinig meer over. Hij had tinnitus, vertrouwde hij me toe, plus bijna alle andere narigheid die ik nu al zo vaak had genoemd. Hij voelde zich over de hele linie skitdålig, vrij vertaald zwaar kut.

Ik leerde Henrik die winter wat beter kennen. Hij was eigenaar van een goedlopend maar bestierbaar softwarebedrijf met twintig mensen in dienst, vader van drie prachtige meisjes, getrouwd met de vrouw van zijn dromen, hij woonde in een leuk optrekje aan de plaatselijke goudkust, kortom, hij had het leuk voor elkaar. Behalve dat hij zich niet lekker voelde. Hoewel hij altijd iemand was geweest die graag risico’s nam en eigenlijk voor de duvel niet bang was, had hij het afgelopen jaar last gekregen van paniekaanvallen. Het gebeurde vooral achter het stuur, in de trein en in het vliegtuig. Out of the blue werd hij dan overvallen door een overweldigend gevoel van naderend onheil. Hij voelde druk op zijn borst, zijn hart sloeg op hol, het koude zweet brak hem uit en hij was ervan overtuigd dat hij zou overlijden. Als een uitgewrongen dweil pakte hij na zo’n aanval zijn bezigheden weer op. Toen hij eens een aanval kreeg in de Stockholmse metro was hij uitgestapt bij een universitair ziekenhuis, waar hij in allerijl aan de apparaten werd gelegd, op verdenking van een hartinfarct. Maar hij mankeerde niets, op een flink hoge bloeddruk na. Van de stress, zeiden ze op de spoedafdeling. Die geruststelling hielp even. Al snel kwamen de angstaanvallen gewoon weer terug. Verder had hij constant het gevoel dat hij uitgeput was, hij moest ’s nachts wel vijf keer zijn bed uit om te plassen, hij had carpaal tunnelsyndroom (een chronische peesschede-ontsteking in de pols), brandend maagzuur en inmiddels een definitief vastgestelde hoge bloeddruk, waarvoor hij pillen gebruikte. En dat allemaal op de respectabele leeftijd van bijna 39 jaar. Hoe hij er ondanks die ellende in slaagde een onderneming te leiden is me een raadsel. Natuurlijk sprak ik voorzichtig met Henrik over paleo en mismatch-problemen, maar omdat hij duidelijk een angststoornis had raadde ik hem vooral aan om over zijn paniek met zijn huisarts te praten (had hij nog niet gedaan, ondanks aandringen van zijn vrouw), zodat hij cognitieve gedragstherapie zou kunnen krijgen. Want dat is zo’n beetje de enige therapie met enig aangetoond positief effect.

En toen zagen mijn vrouw en ik ons plotseling gedwongen naar Nederland terug te keren. Henrik verdween uit mijn wereld. Tot ik hem tijdens een lang bezoek aan mijn schoonouders in de zomer van 2012, ruim acht jaar later, weer ontmoette, dit maal in het buitenbad. Hij zwom dus nog, stelde ik vast, maar zag er slecht uit. Grauwe gelaatskleur, nauwelijks gedefinieerde spieren en in plaats van de vroegere vadsigheid een strak gespannen, zwanger buikje vol visceraal vet. Op het zwembadterras vertelde hij me een triest maar helaas gebruikelijk verhaal. Ongeveer een jaar na mijn vertrek was bij Henrik diabetes type 2 vastgesteld. Met medicijnen viel die enigszins onder controle te houden, maar de dokter had het i-woord (insuline spuiten) al in de mond genomen. De angstaanvallen waren na de cognitieve gedragstherapie die hij inderdaad had gekregen in frequentie gedaald. Er was een andere plaaggeest voor teruggekomen: een zo mogelijk nog diepere vermoeidheid dan destijds. Zijn zaak liep dankzij competente medewerkers min of meer vanzelf, maar hij baalde ervan dat ‘zijn vrouwen’, zoals hij vrouw en dochters steevast noemde, met een prikkelbare oude man moesten leven. Verder had Henrik enkele malen per week last van migraine-aanvallen die zo heftig waren dat hij niets anders kon dan in een stille, donkere kamer wachten tot het minder werd. En o ja, hij kreeg hem alleen nog omhoog als hij een blauw wiebertje slikte.

Dus ik vroeg hem wat hij er tegen deed. Het zit in de familie, antwoordde hij op opgegeven toon. Zijn vader had jaren gekwakkeld met complicaties van ‘ouderdomssuiker’ en was daar vlak na zijn pensioen aan overleden. Geen antwoord, zei ik. Wat doe je eraan? Je sport, dat is goed, maar hoe zit het met je voeding? Wat eet je? Het bleek dat Henrik direct na zijn diagnose was gaan eten volgens een ‘persoonlijk schema’ dat was opgesteld door zijn diabetesverpleegkundige en zijn diëtiste. Vetarme, nagenoeg vegetarische kost met veel – veel te veel – ‘gezonde’ complexe koolhydraten als volkoren brood en pasta, bruine rijst, aardappelen en bonen, bleek uit zijn beschrijving. Het is hun vak, zei Henrik toen ik een vies gezicht trok. Zij zullen toch zeker wel weten wat het beste voor een patiënt is? Weet jij iets beters?
Het was een stralende zomermorgen, we hadden allebei tijd en omdat Henrik mijn mening vroeg, gaf ik een liftversie van het evolutiegeneeskundige perspectief zoals het hier tot nog toe is beschreven.

Hij hapte. Duidelijk alleen omdat hij stuk zat en min of meer ten einde raad was, maar dat maakt niet uit. Hij vond het ‘eigenlijk wel een logisch verhaal’, maar… en er volgde een lijst sceptische tegenwerpingen. Wat moet ik dan doen, vroeg hij uiteindelijk. Hoe begin ik? Ik pakte een bierviltje (Spendrupps) en schreef op de achterkant: ‘groenten, fruit, vlees, vis, schelpdieren, eieren, noten, knollen met niet te veel zetmeel, zonlicht, buitenlucht, slaap, familie & vrienden, High Intensity Interval Training.’ Hoewel ik die zaken al tien keer had genoemd, keek hij vertwijfeld naar het lijstje voedingsmiddelen. Daar heb je toch nooit genoeg aan? Dat verzadigt toch niet? Dat gaat toch meteen vervelen? Your choice, zei ik. Biologie heeft maling aan zulke overwegingen. Probeer het een paar weken en je weet of het werkt. Een paar weken overleeft iedereen.

De hemel zij geprezen was zijn vrouw meteen aan boord. Als de vrouw des huizes het niet ziet zitten, heeft een man weinig kans, is mijn ervaring. Omgekeerd is doorgaans minder desastreus. Henriks vrouw was een kloeke vroedvrouw met een scherp verstand, opgegroeid op de Farœr eilanden. Hielp als vijfjarige al mee met het slachten van de schapen. Was groot en sterk geworden van stokvis en orgaanvlees. Zij deed van harte mee, de dochters voorlopig maar even niet, besloten ze. Drie dagen later saneerden we samen Henriks keukenkastjes. En hier werd het voor mij, met nul ervaring in coaching, leerzaam. Veel mensen blijken een onvoorstelbaar ruim begrip te hebben van het concept ‘echt eten’. Het weghalen van brood, pasta, rijst, meel, cruesli, melk, wafels, zonnebloemolie, frisdrank et cetera gaf geen verwarring, maar op ons educatieve jachttripje naar de supermarkt werd duidelijk waar het vervolgens mis kan gaan. Het begon er mee dat Henrik met een pak haver kwam aanzetten. Ik had haver niet expliciet op het lijstje no no’s gezet. Henrik bleek het niet spontaan als een graanproduct te beschouwen. Hij associeerde het met ‘gezond’, iets wat paarden en mensen kracht geeft. En, had hij gelezen, je cholesterol verlaagt. Triomfantelijk hield hij ook een pak vruchtensap omhoog. Fruit! Prachtig om de haver in te laten weken. Voor alle zekerheid, haver bevat net als alle andere granen zo veel acellulaire koolhydraten dat zelfs paarden er binnen enkele weken metabool syndroom van krijgen. Vruchtensap is, in tegenstelling tot intact fruit, suikerwater met als je geluk hebt nog wat vitaminen en mineralen. Zo ging het een tijdje door. Henrik wilde ondermeer soja-ijs, gepaneerde kabeljauwfilet en nog een hele rits andere samengestelde producten inslaan. Het meest verbaasd was hij toen ik een rol bloedworst teruglegde en hem erop wees dat die voor bijna de helft uit rogge bestond. Ook leuk: sardines in blik keurde hij af, want blik. Fout. Er is niets mis met blik, het gaat erom wat er in zit. Sardines dus. Ideaal mensenvoer. Zelfs als ze verpakt zijn in een beetje zonnebloemolie is dat nauwelijks relevant, omdat het zo weinig is. Het meeste giet je weg.

Maar goed, uiteindelijk reden we naar huis met een kofferbak vol eten dat onze jagende en verzamelende voorouders met een beetje mazzel zouden hebben geïdentificeerd als… eten. Eieren, vers vlees, kip en vis, blikjes tonijn en sardines, garnalen, bacon, uien, broccoli, prei, rucola, champignons, wortelen, avocado’s, appels, kokosnoten, hazelnoten en een fles goede olijfolie.

Ik zat er niet zo dicht op als Rangan Chatterjee van de BBC-serie Doctor in the House, maar ging die vakantie wel geregeld even bij Henrik langs. Aanvankelijk voelde hij zich nog wat verloren en onhandig, maar met hulp van zijn vrouw en door creatief te koken uit Anna’s Kokbok (een degelijk Zweeds kookboek), maakte hij al snel prima gerechten. Geen haute cuisine, gewoon makkelijke, smakelijke paleolithische maaltijden als omeletten met spinazie en schelpdieren, salades met avocado en kip of vlees en zijn favoriet: in bacon gewikkelde, gegrilde koolvis met gekookte eieren, mosselen uit het zuur en voorgesneden boerenkool (in van die briketten uit de vriezer). Jij kunt dat ook door niet bang te zijn en gewoon te doen (laat je leiden door je trek) of door een goed ouderwets kookboek ter hand te nemen. Heel vaak zijn recht toe recht aan gerechten uit kookboeken prima te maken zonder de ingrediënten die niet op het bierviltje staan. Vaker dan je denkt worden die ingrediënten, de afdeling bakwaren laten we uiteraard buiten beschouwing, niet eens gevraagd! Voor het aanbreken van het pakjes en zakjes tijdperk kookte de Nederlandse huisvrouw buiten de broodmaaltijden om aardig in de richting van Paleo. De enige andere interventie die ik Henrik ‘oplegde’ was High Intensity Interval Training op de dagen dat hij geen baantjes trok. Vier keer per week ging hij een half uurtje in de weer met gewichten en lichaamsdragende oefeningen (zie hiervoor hoofdstuk XXX, over Paleoletics).

De eerste resultaten boekte Henrik nog tijdens mijn vakantie. Zijn nuchtere bloedsuikerspiegel, het glucosegehalte in je bloed dat je ’s ochtends direct na het ontwaken en voor het eventuele ontbijt meet, kwam letterlijk van de ene op de andere dag fors naar beneden en bleef daar. Hij ging van meestal rond de 7 mmol/l naar tussen de 4,5 en 5, wat volkomen normaal is. Wat ook onmiddellijk verdween, waren de aanvallen van geeuwhonger en trillerigheid die Henrik dagelijks enkele malen had gehad. Hoewel deze aanvallen meestal worden toegeschreven aan hypoglycaemie, een te lage bloedsuikerspiegel, blijkt de glucoseconcentratie wanneer deze patiënten die meten vaak helemaal niet laag te zijn, althans niet zo laag dat je er symptomen van zou mogen verwachten. Wetenschappers die zich in dit fenomeen hebben verdiept, vermoeden dat de trillerigheid, het koude zweet, de zwarte vlekken en de onbedwingbare behoefte aan zoetigheid – verschijnselen die exact lijken op hypoglycaemie – ook het gevolg kunnen zijn van de eerder beschreven hyperinsulinemie op zich, via overdreven activering van het autonome zenuwstelsel. Hoe het ook zij, Henrik was van zijn dips en hongerklop verlost, waardoor zijn actieradius enorm toenam. Binnen een week kon hij 40 banen zwemmen in plaats van 20 zonder flauw te worden en een koolhydraatrijke snack te moeten nemen. Dit gevoel van bevrijding motiveerde hem enorm. Tegen de tijd dat mijn vakantie erop zat en wij weer terug zouden fietsen naar Nederland – zo’n drie weken in het project – merkte Henrik op dat hij veel meer energie had en dat zijn migraine-aanvallen minder talrijk en minder heftig waren. De angstaanvallen? Verrek, zei Henrik, helemaal vergeten dat ik bang moet worden in de auto.

Toen ik de volgende zomer terugkwam, trof ik in het zwembad een totaal andere vent. Doordat we contact hadden gehouden wist ik dat Henriks getallen – bloedglucose, HbA1c (marker voor glucoseregulatie over ongeveer drie maanden), bloeddruk, leverwaarden, buikomtrek, triglyceriden – successief waren veranderd van pathologisch naar die van een jonge maagd. Maar als je ziet dat de mens erachter is getransformeerd van de Opgewarmde Dood in een vrolijke, energieke, volledig functionele vent, dringt de impact ervan pas goed door. Dan heb je toch even een kippenvelmomentje.

Al na twee maanden had Henrik in overleg met zijn huisarts besloten om de diabetesmedicatie bij wijze van proef te staken. Hij was en bleef normoglycaemisch, met na de maaltijd een normale piek gevolgd door een normale daling, waarmee hij technisch gesproken geen diabetes meer had. De bloeddrukmedicatie was al eerder geschrapt, want Henrik kreeg al snel halve black-outs als hij opstond, iets waarvoor ik hem had gewaarschuwd. Toen de dokter in de spreekkamer 100 over 60 mat (en heel raar keek, om de meting vervolgens op de ouderwetse manier handmatig te herhalen, met dezelfde uitslag) mocht Henrik de pillen direct bij wijze van proef stoppen, waarna zijn bloeddruk stabiliseerde op 115 over 70. Als gezegd, de waarde van een jonge maagd en bijna onvoorstelbaar als je beseft dat Henrik nog maar enkele maanden ervoor standaard rond de 160/95 zat. De statine waar de dokter herhaaldelijk mee had gedreigd vanwege Henriks ‘onrustbarende’ cholesterol verdween ook uit beeld. Zijn lipidenprofiel werd volkomen normaal. Het record in mijn blikveld staat overigens op naam van Ferdinand, een veehouder die mijn blog frequenteert en die zijn totaal cholesterol in een jaar tijd terugbracht van zo’n 12 mmol/l (!) naar rond de 6, met een mooi gezonde verhouding tussen de diverse fracties. De gevreesde diagnose Familiaire Hypercholesteraemie (FH) verliest in het licht van zulke observaties wat van zijn rotsvaste klank. Wie een TC van 12 scoort, heeft FH, punt. Een erfelijke, ongeneeslijke aandoening. Maar wat is ‘erfelijk’ en ‘ongeneeslijk’ als een simpele terugkeer naar een evolutionair normaal voedingspatroon tenminste in sommige gevallen praktisch een omkering tot gevolg heeft?

Henrik werd ook verlost van zijn migraine, zijn oorsuizen, zijn nocturie (’s nachts om de haverklap uit bed moeten om te plassen), zijn peesproblemen en zijn impotentie. De paniek waar alles mee was begonnen, was een vage herinnering. Paradoxaal genoeg zijn het dit soort anekdotes, n=1nen die een compleet spectrum van ogenschijnlijk ongerelateerde kwalen zien verdwijnen, die bij veel artsen en wetenschappers de alarmbellen doen afgaan. Dat kan niet waar zijn. Dat moet wel bogus zijn, want de belofte dat iets tegen alles helpt is het kenmerk van de traditionele kwakzalver. Wat deze mensen over het hoofd zien is dat de veranderingen die optreden logisch zijn, exact wat je moet verwachten als je naar de biologie kijkt. Zoals we in vorige hoofdstukken hebben gezien zijn de aandoeningen en symptomen die Henrik plaagden downstream fenomenen van een inmiddels epidemische metabole ontsporing, mogelijk in combinatie met een onfortuinlijke reactie op gluten en andere eiwitten waar mensen niet goed raad mee weten. Het zou dus vreemd zijn als correctie van de vanuit evolutionair perspectief abnormale omstandigheden die deze metabole ontsporing uitlokken niet tot regressie of tenminste verbetering van genoemde aandoeningen en symptomen zou leiden. Helaas reageren veel artsen en andere zorgprofessionals wanneer ze met dit soort verbeteringen worden geconfronteerd vaak eerder defensief of zelfs vijandig dan blij verrast en nieuwsgierig. Henriks huisarts, die hem aanvankelijk nota bene had gesommeerd om meer te gaan bewegen en gezonder te gaan eten, sloeg de ontwikkeling met stijgende tegenzin gade. Hoewel Henrik hem van meet af aan vertelde wat hij van plan was, toonde de arts steeds minder belangstelling. Hendriks menu was niet zijn idee van gezond eten. Toen Henrik over de hele linie gezond werd, kon er van de kant van zijn huisarts niet meer af dan een schouderophalend ‘Bijzonder, maar ik kan hier niets mee’. Zijn diabetesverpleegkundige en diëtiste waren not amused. Henrik wilde hen betrekken bij zijn zoektocht, had zelfs graag extra betaald voor hun diensten, maar stuitte op zoveel weerstand dat hij geen andere oplossing zag dan het duo al in een vroeg stadium eenvoudigweg te dumpen. Zijn laatste poging tot dialoog ontaardde in een tirade met veel rondvliegend speeksel en de waarschuwing dat het met dat belachelijke dieet nog slechts een kwestie van tijd zou zijn voor hij op de hartbewaking zou liggen. Als hij het geluk had het ziekenhuis levend te halen, werd hem nog toegebeten.

Iedereen kan een hartinfarct krijgen. Maar veronderstellen dat het risico hierop hoger wordt naarmate de risicofactoren ervoor verdwijnen als negertjes op een hek, getuigt van een opmerkelijk vermogen tot magisch denken. Henriks verhaal staat geenszins op zichzelf. Op mijn blog en die van vele anderen wemelt het van soortgelijke ervaringen. Dr. Rangan Chatterjee laat het met BBC-camera’s erop keihard zien. Waarop staat de Real Life teller inmiddels? N=100? N=1000? N=1.000.000? Een veel gehoord tegenargument is dat mensen die mislukken daarmee niet te koop lopen en dat je van hen dus niets meer hoort. Maar in bijvoorbeeld de veganistische scene struikel je over de horrorstories van ex-gelovigen die na een bijna dood ervaring eieren voor hun geld kozen.
Wat betreft die ongeïnteresseerde en boze zorgverleners, gelukkig zijn er ook artsen en paramedici die wel open staan voor veranderende inzichten. De Leidse internist en diabetoloog Hanno Pijl, grondlegger van het succesvolle programma Keer Diabetes Om, is wat dit betreft een frontfiguur in de Nederlandse geneeskunde, wat hem niet door iedereen in dank wordt afgenomen (zie Epiloog). Sportarts Tim Noakes van de Universiteit van Kaapstad zet zijn zuurverdiende status van topwetenschapper op het spel door zich af te wenden van de party line en het op te nemen tegen instanties die zorgverleners als het ware dwingen om de failliete, averechtse standaardadviezen te blijven geven. Ook daarover meer in de epiloog. In het volgende hoofdstuk zal een andere min of meer ondergrondse clinicus, diëtiste Janet Noome, ons helpen hoe je evolutionair acceptabel koopt en kookt als je rond moet komen van een bijstanduitkering. Want juist in de groep waar de grootste gezondheidswinst valt te behalen wordt vaak voetstoots aangenomen dat eten op basis van je DNA financieel gezien een brug te ver is. Die veronderstelling is, gelukkig, onjuist.

Geplaatst in Uncategorized | 125 reacties

Staffan Lindeberg, 1950-2016

Staffan Lindeberg zoals hij volgens mij het liefst wordt herinnerd: in actie op Kitava.

Staffan Lindeberg zoals hij volgens mij het liefst wordt herinnerd: in actie op Kitava.

 

Vanochtend twitterden Jamie en Anastasia van AHS Nieuw Zeeland het trieste bericht dat Staffan Lindeberg, misschien wel de contemporaine pionier van de toegepaste evolutionaire geneeskunde, is overleden. Hij werd slechts 66 jaar.

Huisarts en docent huisartsengeneeskunde Lindeberg deed eind jaren ’80 uniek veldonderzoek onder nog traditioneel levende horticulturalisten op de Trobriand-eilanden in de Stille Zuidzee. Hij promoveerde op zijn waarnemingen en deze ‘Kitava Studie’ vormde de opmaat naar een aantal kleine, maar bijzonder succesvolle Randomized Controlled Trials met patiënten met diabetes en/of coronairlijden.

Staffan Lindeberg was mijn entry in de Paleo-wereld. Al heel jong vroeg ik me af waarom de ene mens vroegtijdig ziek wordt en de andere mens, zelfs als die genetisch identiek is (eeneiige tweeling), niet. Als verslaggevertje dat veel medische klussen toegespeeld kreeg, zag ik heel wat mensen in de kracht van hun leven worstelen met of zelfs doodgaan aan narigheid die je zelfs de ergste schoonmoeder niet toewenst. Ik vroeg me steeds vaker af: is dit normaal? Wat is eigenlijk biologisch normaal? Er is een flinke hand vol ziekten die een zuiver genetische etiologie hebben – als je de verkeerde kaarten hebt gekregen krijg je ze – maar hoe zit het met de rest? De vraag of wij ‘in het wild’ ook diabetes, kanker, hart- en vaatziekten en auto-immune narigheid zouden ontwikkelen drong zich steeds vaker op. Ik probeerde me ook een soort naïeve voorstelling te maken van wat ik zou eten als ik met een zakmes en een bijl in een bos zou worden gedumpt. Geen zuivel, geen brood, geen gevulde koeken en glacés (mijn favoriete lunch in die dagen) en überhaupt vrij weinig compacte koolhydraten, was het enige dat ik kon bedenken. Maar als ik zeer gerespecteerde artsen vroeg of voeding enige invloed had op het ontstaan van de grote ziekten – tekorten aan voedingsstoffen daargelaten – ontkenden ze bijna altijd resoluut. De enige uitzonderingen waren volgens hen verzadigd vet en cholesterol, waarvan iedereen destijds wist dat ze je slagaders verstoppen en een hartinfarct bezorgen. Te veel zout, dat speelde ook wel een rol vonden ze. Maar grosso modo was chronisch ziek worden wat hen betreft toch vooral een kwestie van ‘verkeerde’ genen en pech. En dus fietste ik in juli en augustus 1989 met een vrijwel schoon geweten van Callantsoog naar de Noordkaap op koeken, taart, Nutsen, chocopasta, macaroni en kaas. Afgezien van de nodige aanvallen van achteraf gezien volstrekt verklaarbare en vermijdbare hongerklop ging dat goed, al was mijn gebit niet helemaal blij met deze verbluffende naïviteit.

Enter internet. Ergens in 1995 belde ik voor het eerst in op ‘dat rare nieuwe medium dat geen zinnig mens zich over twee jaar nog zal herinneren’. Ik weet niet meer precies welke hypochondrische zoektermen ik Alta Vista voerde, maar een uur en 60 telefoontikken later had mijn zelfs toen al bejaarde matrixprinter een meter of tien puur goud uitgespuugd. Er bleken, verspreid over de aardbol, mensen te zijn die met dezelfde maffe vragen rondliepen als ik. En niet zo maar een stel hobbyisten, maar artsen en wetenschappers. Ze hadden er veel beter over nagedacht dan ik. Op het nu antieke uitwisselingsmedium Listserve discussieerden ze over ‘het evolutiegeneeskundige model’, toen al kortweg aangeduid met Paleo. Gezondheid, ziekte en disfunctie zijn beter – of misschien zelfs alleen maar – te verklaren als je ze beschouwt door een evolutionaire lens, was de kern van hun visie. Eén van hen was huisarts Staffan Lindeberg uit het Zweedse Lund. In een select groepje inmiddels iconische figuren als Loren Cordain, Ray Audette en Ben Balzer discussieerde Lindeberg over ondermeer zijn bevindingen op Kitava. Plotseling begonnen veel dingen voor mij op hun plaats te vallen. De omstandigheden waarin een organisme zich heeft ontwikkeld, vertellen iets over de huidige behoeften van dat organisme. Met die grove Darwinistische leidraad kun je zinnige voorspellingen doen en gerichte hypotheses opstellen. Door het leidend principe in de biologie – evolutie door natuurlijke selectie – los te laten op de geneeskunde en op zaken als voeding, lichaamsbeweging, slaap, noem maar op, heb je zowel een logisch uitgangspunt als een redelijk kompas, waardoor je op een oceaan van complexe biologische verbanden een aanzienlijk betere kans hebt de talloze klippen te omzeilen.

Het was na een lezing van Lindeberg in Stockholm en het lezen van zijn tekstboek Maten och folksjudomerna dat ik besloot ‘Paleo’ te gaan. Geen gezeik, logisch verhaal, doen. Ik heb nooit omgekeken.

En nu is de pionier dus dood. 66 jaar is veel te jong. Dammit. Voor zover ik kan nagaan is er nog niets naar buiten gekomen over de doodsoorzaak. Maar ik weet wel dat ik me de laatste jaren herhaaldelijk zorgen heb gemaakt over ’s mans breekbare verschijning. Aangezien hij naar verluidt zelf vrij strikt Paleo leefde – ik noem het Bierviltje niet voor niets ook wel ‘Lindeberg Paleo’ – stemt zijn vroege overlijden uiteraard tot contemplatie. De neiging om een patatje oorlog te gaan scoren of als een bezetene tosti’s te gaan bakken, wat ik hoe dan ook heel soms doe, is groot. Hoe banaal en ongepast het ook is, we zullen er rekening mee moeten houden dat dit tegen ons gebruikt gaat worden (kom er maar in, Robert). Ik zou het zelf als tegenstander van het paradigma waarschijnlijk ook doen. Onwetenschappelijk, maar wel heel menselijk. Brace for impact. Tegelijkertijd is het nuttig om onder ogen te zien hoe onvoorstelbaar krachtig de interventie bij steeds meer aandoeningen blijkt te werken. Mede dankzij de wetenschappelijke gedrevenheid van Lindeberg helpt een groeiende schare verlichte zorgprofessionals mensen met diverse metabole ontsporingen tegenwoordig adequaat uit de brand.

Dank daarvoor Staffan Lindeberg. Je stond torenhoog op de wish-list van keynote sprekers op het Ancestral Health Symposium Nederland, maar we dachten dat we nog zeeën van tijd hadden. RIP.

 

Geplaatst in Uncategorized | 72 reacties

AHS NL 2016 in Leiden: is niet deelnemen een optie?

9395922ddced3b731ff39d27fe97677f_gallery

Natuurlijk. De meesten van jullie zullen op zaterdag 22 oktober niet in het Leids Universitair Medisch Centrum zijn, maar op de tennisbaan, naar de Apenheul, bij ome Kees en tante Jet, in de tuin of achter de computer, starend naar youtube filmpjes over iemands kat. In deze post leg ik graag nog even kort uit wat je dan zoal mist.

Om te beginnen mis je de eerste presentatie ooit van Dr. Alessio Fasano in de Lage Landen. Uitleggen wie hij is voelt voor mij een beetje als vertellen dat Johan Cruijff een bekende voetballer was, maar omdat er hopelijk ook Foodlog-lezers meekijken, doe ik het toch maar even. Kinderarts en gastro-enteroloog Fasano is oprichter en directeur van het Center for Celiac Research van het Massachusetts General Hospital for Children en hoogleraar aan Harvard Medical School. Eind jaren ’80 kwam hij als veelbelovende jonge arts-onderzoeker uit Italië naar Amerika met de prestigieuze opdracht een vaccin tegen cholera te ontwikkelen. Toen dit vaccin uiteindelijk kon worden getest op proefpersonen, werden jaren van noeste arbeid letterlijk door de wc gespoeld. Op papier klopte alles, maar in de praktijk bleek het vaccin zelf een onaanvaardbaar zware diarree op te wekken. Waar veel andere wetenschappers hun wonden zouden likken om daarna een geheel nieuw pad in te slaan, bleef Fasano naar zijn data turen. Hij vroeg zich af of de natuur hem met dat onverwachte resultaat misschien iets wilde vertellen. Dat wilde zij en via een serie onvoorstelbare toevalligheden ontdekte Fasano dat gluten, het complexe eiwit dat tarwe zijn prachtige bakeigenschappen geeft, ons min of meer op dezelfde wijze belaagt als de cholerabacterie. Het verschil is dat het immuunsysteem van de meeste mensen bij iedere glutenblootstelling afrekent met de peptiden die zo sterk op het jasje van de cholerabacterie lijken. Slechts af en toe gaat het mis en dan krijgt iemand coeliakie, de nare kwaal die pas kort na de Tweede Wereldoorlog onomstotelijk in verband werd gebracht met gluten, door de Utrechts kinderarts Karel Dicke. Fasano en zijn groep hebben aangetoond dat dezelfde mechanismen die een rol spelen bij coeliakie, waarschijnlijk ook aan de basis liggen van een hele rits andere (met name autoimmune) ziekten, zoals diabetes type 1, MS en sommige vormen van kanker. In Leiden zal Fasano vooral ingaan op de rol van het microbioom, dat voor een belangrijk deel bepaalt of iemand met de ‘juiste’ genetische predispositie ziek wordt of niet.

Alsof dat nog niet spannend genoeg is, organiseren we ook een Food Dialogue (ofwel een beschaafd debat) tussen Fasano en de Leidse immunoloog Prof. Dr. Frits Koning. Fasano’s lab verzamelt bewijs dat ook mensen die geen coeliakie of tarweallergie hebben ziek kunnen worden van gluten. Met name Fasano’s pupil Anna Sapone beschikt over data die duiden op het bestaan van ‘glutenovergevoeligheid’ als legitieme klinische entiteit. Hoewel Fasano als hartstochtelijk Napolitaan niemand een leven zonder pasta en pizza gunt, stelt hij met pijn in het hart dat deze Non Celiac Gluten Sensitivity (NCGS) zeer waarschijnlijk echt is. Frits Koning denkt daarentegen dat het fenomeen meer een modeverschijnsel is. Als beide grootheden de degens kruisen, kon dat wel eens een aardig intellectueel vuurwerk opleveren. Verwacht geen berichtgeving in de ‘serieuze’ media, want deze stuff is veel te complex voor de gatekeepers van de wetenschapspagina’s, die bovendien niets op hebben met toepassing van Darwin op subdisciplines van de biologie, zoals geneeskunde en voedingsleer :-).

Fasano geeft een keynote. Het thema is Darm & Vuur en we zijn dan ook ontzettend blij dat de Leidse paleoantropoloog Wil Roebroeks de andere keynote wil geven. De mens als geboren kok is een populair idee. De Britse paleoantropoloog Richard Wrangham betoogt ondermeer in zijn boek Catching Fire dat mensen hun complexe brein te danken hebben aan de vroege beheersing van vuur. Aangezien we miljoenen jaren geleden al at will fikkies konden stoken, waren we al heel vroeg in staat om meer energie uit met name wortelstelsels en knollen te winnen. Dat energiesurplus was voldoende voor de encefalisatie-explosie die uiteindelijk tot Homo sapiens leidde. Dit allemaal volgens Wrangham. Een probleem met de Wrangham hypothese is een opvallend gebrek aan fossiel bewijs voor het structurele gebruik van vuur door de voorlopers van mensen in de perioden waarin de encefalisatiespurts vermoedelijk plaats hadden. Wil Roebroeks heeft hard gemaakt dat Homo erectus niet of nauwelijks vuur gebruikte toen hij tijdens de eerste Out of Africa migratie zo’n miljoen jaar geleden Europa binnenkwam. Als Wrangham gelijk heeft en erectus in Afrika routinematig vuur maakte, zou het vreemd zijn wanneer hij die gewoonte bij de exploratie van veel koudere gebieden ineens zou opgeven. Roebroeks plaatst het begin van routinematig vuurgebruik in Europa tussen 400.000 en 300.000 jaar geleden en niet bij erectus maar verrassend genoeg bij de Neanderthalers. Homo sapiens bereikte het Midden Oosten en Europa rond 100.000 jaar geleden, maar liet zelfs toen nauwelijks sporen van vuurgebruik achter. De Leidenaren worstelen met het raadsel hoe deze anatomisch moderne mensen zich in hemelsnaam warm hielden in de barre Europese winters. Een hoog aandeel metabool actief en extreem thermogeen (warmte producerend) bruin vet is één van de belangrijkste kanshebbers. Spannend of spannend?

Wie vuur en koken zegt, zegt tegelijk Advanced Glycation Endpruducts, kortweg AGE’s. Hoe je je eten bereidt is wellicht even belangrijk voor je gezondheid als het eten zelf. AGE’s zijn verbindingen tussen suiker en eiwit die zonder tussenkomst van enzymen ontstaan wanneer je die twee met elkaar in contact brengt. Hoe heter de omgeving, hoe sneller die reactie verloopt. Enorme hoeveelheden AGEs worden gevormd bij het agressief verhitten van voedsel, vooral van producten met veel eiwit en vet. AGEs maken eten lekker. Het heerlijke bruine korstje op een gegrilde kip? AGEs. De onweerstaanbare geur van vers gebakken croissants? AGEs. Helaas zijn AGEs niet alleen maar lekker, ze zouden volgens sommige wetenschappers al in betrekkelijk kleine hoeveelheden voor problemen te kunnen zorgen. AGE-onderzoeker Helen Vlassara doet bijvoorbeeld het liefst alle exogene AGEs in de ban. Volgens de Wageningse AGE-onderzoeker Vincenzo Fogliano – die in Leiden komt spreken – is het echter onwaarschijnlijk dat de AGE-load van bijvoorbeeld gebraden vlees bij een gezond iemand tot problemen leidt, mits hij of zij ‘verder gezond eet’. Voor landbouwman Fogliano is dat min of meer volgens de Schijf van Vijf. Symposiumgangers plaatsen het AGE-vraagstuk hoogstwaarschijnlijk liever in de context van een evolutionair geschikt voedingspatroon, met om te beginnen niet of nauwelijks bloedsuiker- en insulineverhogende, potentieel tot metabole endotoxemie leidende acellulaire koolhydraten. Wat vindt Fogliano hiervan? Alleen als je komt, kun je het hem vragen.

Ik zal niet zeggen klap op de vuurpijl, maar zelf kijk ik toch wel heel erg uit naar de lezing van Josephine Joordens, een zeebioloog met een PhD in de geologie, nu werkzaam aan de faculteit Archeologie van de Universiteit van Leiden en een collega van Wil Roebroeks. In haar lezing ‘Water en vuur: wat dreef onze menselijke evolutie?’ stelt zij de vraag of de evolutie van ons complexe brein het gevolg was van onze interactie met vuur, van onze interactie met kustlandschappen met de alleen daar toegankelijke breinspecifieke nutriënten, van geen van beide of van beide. Hoewel Joordens volgens mij warm loopt voor of zelfs aanhanger is van de waterkanthypothese, stelt zij in haar introductie: However, while important, these [brain specific] nutrients as such do not provide a satisfying explanation for our spectacular braininess. Zij lijkt dus evidence te hebben die de theorie van Stephan Cunnane (Survival of the Fattest; The Key to Human Brain Evolution) ondermijnt. Wat is die evidence? Ook hier geldt: alleen als je echt helemaal niks met onze biologie hebt, baal je niet als je het haar niet kunt horen uitleggen.

Zonder de overige sprekers – Peter Joosten over Quantified Self, Dr. Elske Bos (bioloog, filosoof en fietsenmaker!) over de waarde van n=1 studies in vergelijking tot groepsstudies, Geja Heinen over de Gut Brain Axis en (onbevestigd) Dr. Huub Savelkoul over het microbioom – tekort te willen doen, stop ik mijn pleidooi om er op 22 oktober bij te zijn hier. Waarom? Alleen omdat ik zometeen voor zeven dagen op reportage moet en ik mijn koffer nog moet pakken :-). Ajuus en tot ziens in Leiden! Dit jaar hebben we na afloop zeer waarschijnlijk een after party waar iedereen nog even kan napraten met iedereen. En o ja, dit jaar is er koffie zodra je je hebt geregistreerd!

52dc2b57ab43f78d4b583f77e832141a_gallery

Geplaatst in Uncategorized | 135 reacties

Zijn remsporen paleo?

zxcJY

Puur voor ’t Nut van ’t Algemeen ga ik voor één keer op de hypochondrische toer. Voor zover ik weet of eigenlijk vooral hoop (je weet zelden iets) mankeer ik behalve een neolithisch gebit dat zelfs met de beste orthodontische zorg niet meer in het gelid geplaatst kan worden, een neolithische bijziendheid die mijn droom om bush pilot te worden destijds bij een keuringsarts op Schiphol Oost om zeep hielp (levensreddend, vermoedelijk) en een tamelijk geprononceerde kippenborst, vrij weinig. De reden dat ik ooit paleo ging was, althans dat maak ik mezelf wijs, zuiver rationeel en zonder bijbedoelingen. Het paleoverhaal is een logisch verhaal, ga ervoor, kijk niet om, behalve als onverhoopt blijkt dat leven onder meer evolutionair ‘normale’ omstandigheden de achterdeur uit is. Dat was zo ongeveer de insteek. En er was nooit ook maar de geringste aanwijzing dat het de achterdeur uit was. Integendeel.

Toch kamp ik al heeeeeel lang, zeker vanaf mijn vijftiende, met een obscuur kwaaltje. Pijnen en pijntjes in de bovenrug en borstkas, komend en gaand, soms met uitstraling naar de armen. Het zit vast aan beweging, je kunt het provoceren door bijvoorbeeld je armen omhoog te doen, het lijkt dus in alle opzichten musculoskeletair, maar dat neemt niet weg dat het de fantasie van iemand die iets van cardiovasculair lijden weet tamelijk gemakkelijk op hol kan doen slaan. In 1998 rende ik er een keer de EHBO van het ziekenhuis in Hoorn mee binnen. Toen ik met een piepstemmetje mijn verhaal had gedaan werd ik onmiddellijk op een brancard geworpen en naar een onderzoekskamer geracet; de indrukwekkende santenkraam die werd opgetuigd overtuigde me er nog meer van dat ik stervende was, tenzij het de dokters zou lukken om op tijd vijf bypasses aan te brengen. Welcome to the Zipper Club, jengelde het door mijn hoofd. Ik weet nog dat ik me serieus afvroeg wat nu eigenlijk de beste optie was, dood zijn of verder als te vroeg bejaarde man met een ritssluiting.

Ha, ha, ha, ha, ha.

Okay, het is eigenlijk niet om te lachen, want er zijn pechvogels die al op jonge leeftijd echt aan de beurt zijn voor zo’n Van ’t Hekje. Ons medeleven gaat uit naar mensen als mediamagnaat Reinout Oerlehannes en de vriend van een Beroemde Gezondheidsjournaliste Voor De Betere Bladen, al kwam die laatste volgens mij weg met alleen statineus ingrijpen. Serieuze stuff, met andere woorden en het kan een ieder treffen. Enfin, mij niet, toen. “Ik zie het hart van een jonge hond,” zei de adembenemend mooie cardiologe, na een blik op het ECG te hebben geworpen. “Je hebt waarschijnlijk wat last van de tussenribspiertjes. Of van de aanhechtingen ervan aan de ribben en het borstbeen. Samen met spanning en nervositeit kan dat heel angstige klachten geven. We zien het hier best vaak.”

Ehhh, ja. Beschaamd excuses mompelend droop ik af. Het obsessieve lezen in medische bibliotheken dat vermoedelijk ten grondslag lag aan de catastrofale interpretatie van de symptomen, had me ook al iets geleerd over costochondritis. Dit is een zo goed als onbegrepen kwaaltje, waarbij de kraakbeenverbindingen tussen de ribben en het sternum en soms ook tussen de ribben en de wervelkolom ‘ontstoken’ of geïrriteerd zijn. Althans dat is het vermoeden. Gaat het gepaard met zichtbare zwelling, dan wordt het het syndroom van Tietze genoemd. Doordat de borstkas rijk geïnnerveerd is, is het heel waarschijnlijk dat deze irritatie zenuwbanen prikkelt die ook worden getriggerd door een hart in nood. Cardiologe Janet Travell (de lijfarts van John F. Kennedy) meende dat costochondritis en een licht verstoord metabolisme van spieren in de borstregio (ze sprak van ‘triggerpoints’, die overigens elektrofysiologisch kunnen worden aangetoond) klachten kunnen geven die nauwelijks zijn te onderscheiden van een naderend of zich voltrekkend hartinfarct. Het enige verschil is dat je de pijn meestal kunt aanraken en met borstbewegingen provoceren. Aanstelleritis is het dus kennelijk niet en je hoeft geen watje te zijn om er door op het verkeerde been te worden gezet. Hier een duidelijk filmpje van een meisje dat het kennelijk wel heel erg heeft en voor wie het letterlijk invaliderend was.

Anyway, je leert met zoiets te leven. Het is een pain in the ass die er bij gaat horen en je houdt jezelf voor dat er veel ergere dingen zijn. Het hinderde me niet, niet eens met sporten, zo lang ik het mentale duiveltje ervan maar onder het deksel hield. Paleo gaf geen enkele verbetering in dit departement. De theorie van Dr. John Sarno – die stelt dat verwaarloosde geestelijke conflicten hun uitweg zoeken in een door de hersenen geïnduceerde lokale ischemie in bepaalde spiergroepen en dus in onverklaarbare lichamelijke pijn – bood mij geen soelaas. Toch raakte ik deze trouwe kwelgeest enige tijd geleden zo goed als kwijt. Vandaar deze post. Die voor sommigen beslist zal eindigen met een anticlimax.

De op een na voorgaande post over die ouwe gek van een Blake Donaldson spoorde me aan om weer eens wat nader te kijken naar groenten. Zijn ze terecht het vanzelfsprekende, met een gezondheidshalo bekroonde onderdeel van het paleoperspectief dat de meesten van ons ervan maken? Is het mogelijk dat een royale, dagelijkse groenteconsumptie een neolithisch fenomeen is dat bij sommige mensen averechtse gezondheidseffecten teweeg brengt? Het is vrij zeker dat Homo sapiens in zijn vroege ontwikkeling gedurende lange perioden tamelijk weinig plantaardig materiaal heeft gegeten. Ontzettend veel in het wild groeiende gewassen zijn giftig. Wel eetbare bladeren en stronken leveren zo weinig energie en voedingsstoffen, dat een soort met zo’n hongerig brein als het onze wel gek zou zijn om energie in het verzamelen ervan te steken. Fruit levert energie en is vaak veilig omdat het gegeten wil worden, maar is zeker op de wat hogere breedten ook slechts periodiek beschikbaar. Daar staat tegenover dat we een lange, lange periode als primair vegetarische primaat achter de rug hebben en dat het op z’n minst nogal onwaarschijnlijk lijkt dat we massaal ziek worden van bladeren, scheuten en vruchten die niet evident toxisch zijn. Toch zag ik aanleiding om met name een royale groenteconsumptie ter discussie te stellen. Eén reden daarvoor waren de persoonlijke en klinische waarnemingen van de Britse huisarts Clare Morrison, die fibromyalgie-achtige klachten zag verdwijnen op een voeding zonder groenten en dat toeschrijft aan het vaak hoge oxalaat-gehalte van veel eetbare gewassen. Oxalaat is giftig voor de mitochondriën.

De tweede en voor mij meer intrigerende reden om vraagtekens te plaatsen bij royale groenteconsumptie was wat ik noem de Spreadbury & Hansen Etiologie van Alles. In mijn boek ga ik hier straks/ooit zeer uitgebreid op in, hier volsta ik met de hoofdpunten:

Aan de meeste moderne ziekten ligt een haperende energiehuishouding ten grondslag, in de vorm van te weinig of slecht functionerende mitochondriën en een disbalans tussen mitochondriële fission en fusion (Melissa Hansen).

Deze mitochondriële disfunctie zit upstream van alle symptomen en pathologie die we in verband brengen met Metabool Syndroom, inclusief hyperinsulinemie en afwijkende Kraft patronen. Dit zijn (‘slechts’) markers van het eigenlijke probleem.

De mitochondriële disfunctie wordt op zijn beurt veroorzaakt door een milde metabole endotoxemie (Spreadbury). LPS en andere PAMPS leiden tot pathologische opslag van de sfyngolipide ceramide, met verminderde mitochondriële respiratie als resultaat.

De metabole endotoxemie is weer het gevolg van overbemesting van de flora in de dunne darm (Spreadbury). Spreadbury benoemde de hier inmiddels overbekende dense acellular carbohydrates als de primaire boeven in dit drama. Mij leek het logisch om ook vezels kritisch onder de loep te nemen, want ook die vormen in potentie substraat voor een eventueel te rijk microbioom in de dunne darm, zo was mijn overweging. Ik bleek deze gedachtegang te delen met de altijd zeer scherp redenerende Amber O’Hearn, die er ondermeer hier helder over schrijft. Anders dan O’Hearn ging ik er in mijn hypothese vanuit dat glucose (uit bijvoorbeeld fruit) geen problemen veroorzaakt, omdat het in de circulatie wordt opgenomen zodra het de dunne darm in komt en dus geen kans krijgt het eventueel te rijke microbioom aldaar noemenswaardig te voeden.

Om een veel te lang verhaal iets korter te maken, ik probeerde een gemodificeerd all meat diet op mezelf uit om mijn hypothese te ‘testen’. Als observatievariabelen koos ik genoemde costochondritisklachten en andere subjectieve waarden als inspanningstolerantie, energieniveau en algeheel welbevinden. In eerste instantie ging het fantastisch. De pijntjes tussen de schouderbladen en in de ribben verdwenen vrijwel volledig. Dit kan natuurlijk een gigantisch placebo-effect zijn geweest, maar ik vind het zelf opmerkelijk. Ook had ik het gevoel dat mijn inspanningstolerantie rap toenam. Ik kon bij mijn Freeletics sessies zomaar 50 strakke burpees achter elkaar maken, zonder het gevoel te hebben te exploderen. Verder beeldde ik me in nog iets minder degig te worden in de buikregio. Maar het meest opmerkelijke resultaat was het onmiddellijke en vrijwel volledig verdwijnen van remsporen. De ontlasting bleef zich des ochtends onveranderd aandienen na de eerste kop koffie, maar was ineens aangenaam klein en compact. Niet meer die enorme hopen paardenstront. Afvegen vergde niet of nauwelijks toiletpapier. De witte onderbroeken die mijn vrouw standaard koopt opdat ik er dagelijks zelf aan word herinnerd ze in de was te gooien – hetgeen voor mij beslist geen vanzelfsprekendheid is – bleven kraakhelder. Hoogmoedig bedacht ik de titel van deze post: Zijn remsporen Paleo?

Dat was mogelijk dom. Want we kennen allemaal het spreekwoord. Hoogmoed, wankeling, val. Welnu, ik ging tamelijk languit op mijn bek. Een paar weken into het experiment begon ik me minder fit te voelen. Beetje hangerig, ’s avonds om half acht al zin om naar bed te gaan, zulke gekke dingen. Na een straatbarbecue begin juli kreeg ik de eerste stevige verkoudheid sinds ik weet niet hoe lang en daar was ik ook nog eens een week beroerd van. Bizar, voor mij. Tot overmaat van ramp begon mijn vrouw me voorzichtig te vertellen dat ik eruit zag als een lijk. Geen kleur meer op de wangen, blauwe lippen, het klonk verschrikkelijk eng, zeker voor iemand met een neiging tot hartneurose. Op een helder moment besloot ik dat het genoeg was. Het was namelijk ook best heel erg saai, alleen vlees en vis en in mijn geval wat fruit eten. Ik schakelde van de ene op de andere dag over op full blown Bierviltje met alle mogelijke groenten en behoorlijk wat fruit in de mix. Life returned. Het voelde alsof ik aan een acculader werd gelegd. Weer enkele weken later was de lethargie verdwenen en had ik volgens mijn vrouw weer een normale kleur. Hypothese gefalsifieerd, althans voor mijzelf.

Tegelijk met mij deed Mariet Hoen een nog veel strakker all meat (vlees, vis, water) experiment. Op haar blog kun je lezen dat ook zij helaas niet de resultaten boekte die de hypothese voorspelt. Tije en Christel daarentegen, die hier vaak reageren, hebben gigantische voordelen gezien, zoals je in de commentaren hier en bij Mariet kunt nalezen. Verder barst het van de anekdotes van mensen die de meest afschuwelijke ellende zagen verdwijnen op dit regiem. Die trek ik niet in twijfel, al valt het me wel op dat all meaters er grosso modo – dus niet allemaal! –enigszins bescheten uitzien. Fenotype zegt niet alles, ik weet het, maar het voelt niet goed.

Op de kwaliteit van mijn eigen experiment valt van alles aan te merken. Ik ben te kort daadwerkelijk all meat geweest om een eventueel noodzakelijke transitiefase te overbruggen. Toch heb ik een paar hypothetische verklaringen. Het is natuurlijk goed mogelijk en zelfs best waarschijnlijk dat het microbioom in mijn dunne darm na al die jaren paleo (zonder compacte, acellulaire koolhydraten) behoorlijk lean & mean is en geen draconische uithongeringsinterventie behoeft. Het is zelfs denkbaar dat het microbioom dat daaronder woont, in de dikke darm, gewend is aan de vezels uit groenten. De lamlendigheid die me overviel zou het gevolg geweest kunnen zijn van een verarming van dit lage microbioom, al pleiten goede argumenten van Amber O’Hearn hier weer tegen. De voor mij meest plausibele verklaring is echter hormese. Als we aannemen dat Homo sapiens wel is geëvolueerd met een geregelde inname van eetbare blaadjes, twijgjes en wortelstelsels – en Esther Nederhof gaf me gisteren een paar sterke argumenten die daarvoor pleiten – dan zijn we gewend aan een zekere toxische ‘achtergrondruis’. Echte vergiftiging van de mitochondriën is overduidelijk geen goed idee. Maar zo’n beetje alle medicijnen die werken tegen aan mitochondriële disfunctie gekoppelde kwalen, hebben een lichte mitochondriële toxiciteit. Het bekendste voorbeeld is good old metformine, dat anti zo’n beetje alle narigheid is en in een aantal diermodellen zelfs levensverlengend werkt. Wanneer deze stress plotseling wegvalt, gaan de mito’s – en daarmee het hele organisme – mogelijk minder goed functioneren, omdat bepaalde verdedigingsmechanismen in slaap vallen. Een anders alert immuunsysteem heeft ineens moeite met een makkelijk verkoudheidsvirusje.

En hoe zit het nu met die ribklacht? Aanvankelijk kwam hij geleidelijk terug (nocebo-effect?), maar een paar simpele oefeningen van fysiotherapeut Steve August uit Nieuw Zeeland lijken het probleem tot nu toe in de kiem te smoren. Zonder Back Pod, overigens.

Maar het alleropmerkelijkste is dat ook de remsporen ondanks de weer copieuze groentenfestijnen nog steeds volledig uitblijven.

En tenslotte:

Slechts heel zijdelings gerelateerd en gewoon voor de lol: Disfunctionele xenofobie is geassocieerd met meer karakteristieke fenotypische kenmerken dan alleen geelwit, pruikachtig hoofdhaar.

Slechts heel zijdelings gerelateerd en gewoon voor de lol: Disfunctionele xenofobie is geassocieerd met meer karakteristieke fenotypische kenmerken dan alleen geelwit, pruikachtig hoofdhaar.

Geplaatst in Uncategorized | 69 reacties

Kanker: het blinde, dodelijke dogma van de genenjagers

Ik heb weinig tijd voor duiding, maar deze lezing door Thomas Seyfried is te belangrijk om alleen in een reactie te dumpen. Kanker een primair genetische ziekte? Het is onvoorstelbaar hoe veel mensen er anno 2016 nog rondlopen die dit denken, al het overweldigende bewijs voor een metabole, mitochondriële etiologie ten spijt.

Geplaatst in Uncategorized | 34 reacties

Hoe een huisarts 40.000 pond per jaar bespaart

Toen ik nog actief was op het voor niet gepensioneerden helaas te verslavende en tijdvretende online platform Twitter, wisselde ik ook geregeld informatie uit met de Britse huisarts David Unwin. Een aardige, optimistische gast die open staat voor nieuwe informatie en die bereid is van de protocollen af te wijken als die zo aantoonbaar de achterdeur uit blijken te zijn dat zelfs een gorilla het ziet. Ik was dan ook aangenaam verrast toen Alex dit recente filmpje opduikelde, waarin Unwin wordt geïnterviewd door de niet te stuiten ingenieur/onderzoeker/journalist Ivor Cummins. Hij blijkt samen met zijn vrouw, die klinisch psycholoog is, een gezondheidscentrum te runnen waarbinnen Paleo/Low Carb min of meer de hoeksteen is in de behandeling van de zo waanzinnig prevalente metabole aandoeningen.

Die aanpak werpt veel vruchten af. Unwin doet een paar interessante dingen uit de doeken. In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, blijken patiënten over het algemeen open te staan voor een leefstijlverandering op basis van logische biologische argumenten. Unwin kwam zelf met Paleo/Low Carb in contact door een patiënte die stiekem, op eigen houtje Paleo was gegaan en haar diabetes en hoge bloeddruk omkeerde. Het probleem is volgens Unwin niet de onwil of desinteresse van de patiënt, het probleem is het gebrek aan keuze. Als een (huis)arts een patiënt geen andere optie biedt dan ‘medicatie, bewegen en de Schijf van Vijf’, dan mag je bij progressie van de ziekte niet roepen dat patiënt geen belangstelling heeft voor een leefstijlverandering. Leg intelligente patiënten het paleo perspectief uit en ze kiezen negen van de tien keer eieren voor hun geld.

Dat heeft binnen de praktijk van Unwin en zijn vrouw geleid tot een besparing op jaarbasis van 40.000 pond op uitgeschreven medicatie en de beste glucoregulatie in de regio waartoe de praktijk behoort. Cynisch genoeg doet de praktijk het hierdoor zakelijk gezien (veel) slechter dan praktijken die hun patiëntenpopulatie ziek, slikkend en spuitend houden. Een deel van het geld dat de verzekering uitkeert voor medicatie vloeit immers in de kas van de praktijk. Unwin maakt zich bovendien weinig populair bij bijvoorbeeld interventiecardiologen, die van hem bitter weinig klanten doorverwezen krijgen. Er valt geen moer te stenten en te bypassen in zo’n gezonde populatie en zeg nou zelf, als het uitvoeren van zo’n trucje je wekelijks een leuke middenklasser oplevert, dan vind je dat niet leuk. In Nederland werkt het ongeveer hetzelfde en dit verklaart waarom de evolutionaire benadering van ziekte en gezondheid in de geneeskunde nooit Best Practice zal worden.

Ter illustratie van de harde realiteit een (ongewoon leesbare) passage uit het megalomane project dat langzaam vordert 🙂 . Hij komt uit een hoofdstuk over één van de heel weinige mensen die ik op hun eigen uitdrukkelijke verzoek van nabij heb gecoacht.

Henrik werd ook verlost van zijn migraine, zijn oorsuizen, zijn nocturie (’s nachts om de haverklap uit bed moeten om te plassen), zijn peesproblemen en zijn impotentie. De paniek waar alles mee was begonnen, was een vage herinnering. Paradoxaal genoeg zijn het dit soort anekdotes, n=1nen die een compleet spectrum van ogenschijnlijk ongerelateerde kwalen zien verdwijnen, die bij veel artsen en wetenschappers de alarmbellen doen afgaan. Dat kan niet waar zijn. Dat moet wel bogus zijn, want de belofte dat iets tegen alles helpt is het kenmerk van de traditionele kwakzalver. Wat deze mensen over het hoofd zien is dat de veranderingen die optreden logisch zijn, exact wat je moet verwachten als je naar de biologie kijkt. Zoals we in vorige hoofdstukken hebben gezien zijn de aandoeningen en symptomen die Henrik plaagden downstream fenomenen van een inmiddels epidemische metabole ontsporing, mogelijk in combinatie met een onfortuinlijke reactie op gluten en andere eiwitten waar mensen niet goed raad mee weten. Het zou dus vreemd zijn als correctie van de vanuit evolutionair perspectief abnormale omstandigheden die deze metabole ontsporing uitlokken niet tot regressie of tenminste verbetering van genoemde aandoeningen en symptomen zou leiden. Helaas reageren veel artsen en andere zorgprofessionals wanneer ze met dit soort verbeteringen worden geconfronteerd vaak eerder defensief of zelfs vijandig dan blij verrast en nieuwsgierig. Henriks huisarts, die hem aanvankelijk nota bene had gesommeerd om meer te gaan bewegen en gezonder te gaan eten, sloeg de ontwikkeling met stijgende tegenzin gade. Hoewel Henrik hem van meet af aan vertelde wat hij van plan was, toonde de arts steeds minder belangstelling. Henriks menu was niet zijn idee van gezond eten. Toen Henrik over de hele linie gezond werd, kon er van de kant van zijn huisarts niet meer af dan een schouderophalend ‘Bijzonder, maar ik kan hier niets mee’. Zijn diabetesverpleegkundige en diëtiste waren not amused. Henrik wilde hen betrekken bij zijn zoektocht, had zelfs graag extra betaald voor hun diensten, maar stuitte op zoveel weerstand dat hij geen andere oplossing zag dan het duo al in een vroeg stadium eenvoudigweg te dumpen. Zijn laatste poging tot dialoog ontaardde in een tirade met veel rondvliegend speeksel en de waarschuwing dat het met dat belachelijke dieet nog slechts een kwestie van tijd zou zijn voor hij op de hartbewaking zou liggen. Als hij het geluk had het ziekenhuis levend te halen, werd hem nog toegebeten.

Wordt ooit in druk vervolgd, ha, ha, ha.

En hier nog een interessante lezing waarin David Unwin en zijn vrouw Jen (klinisch psycholoog) uitleggen hoe ze in hun praktijk te werk gaan.

 

Geplaatst in Uncategorized | 80 reacties

Drink je niet kapot

Slim young woman drinking water after training

Slim young woman drinking water after training

Wegens nog voortgaande experimenten en een bizarre werkdruk laat de beloofde post ‘Zijn remsporen paleo?’ nog even op zich wachten. Als intermezzo vandaag een niet (hoewel?) paleo gerelateerd onderwerp, want gezien de alsmaar hysterischer wordende oproepen om toch vooral o-ver-vloe-dig te drinken is het volgens mij wachten op de eerste waterdode.

Mensen zijn geboren duurlopers met een delicaat vermogen om vochtverlies te hanteren. Waar het lichaam géén raad mee weet, is te véél vocht. Drink dus niet te veel, ook niet als het warm is. Dat stelt de Zuid-Afrikaanse sportarts Tim Noakes. De Nijmeegse inspanningsfysioloog Maria Hopman vindt dat Noakes een punt heeft, maar acht het risico op uitdroging en hitteshock nog altijd veel groter dan dat op waterintoxicatie.

David Rogers, 22 jaar, was een getalenteerd en fanatiek hardloper. In zijn favoriete hardloopblad had hij gelezen dat je als serieuze atleet niet genóég vocht tot je kunt nemen en dat je nooit moet wachten tot je dorst krijgt. Dat zelfs een beetje uitdroging tot prestatieverlies leidt. En dat weinig drinken in warme omstandigheden het risico op een hitteshock verhoogt. Dus toen hij de digitale thermometers langs de route van de London Marathon op 22 april 2007 zag oplopen tot een ongebruikelijke 22 graden, dronk hij, zoals de organisatie ook voortdurend omriep, elk bekertje vocht dat hij te pakken kreeg. En dat was te veel. In de laatste kilometers van de race werd David niet lekker. Omstanders zagen hem na de finish versuft en ongecoördineerd rond strompelen, alvorens hij in elkaar zakte en in foetushouding bleef liggen. Twaalf uur later stierf hij in een Londens ziekenhuis.

In 1969 publiceerden de in hitteshock gespecialiseerde Zuid-Afrikaanse mijnartsen Wyndham en Strydom een alarmerend onderzoeksrapport. Duursporters moesten volgens hen voor, tijdens en na een training of race zo veel drinken als ze konden. Anders zouden ze, net als de mijnwerkers met wie het duo veel ervaring had, bij bosjes sterven aan hittestuwing. Deze conclusie werd onmiddellijk geaccepteerd door vrijwel alle sportwetenschappers. Bijna letterlijk van de ene op de andere dag veranderde het advies wereldwijd van ‘drink tijdens een race niet of nauwelijks’ in ‘drink zo veel en vaak als je kunt, ook tijdens trainingen’. De sportdrankenindustrie omarmde het nieuwe paradigma gretig. Zij deed alles om de noodzaak van ‘preventief drinken’ rotsvast te verankeren in het collectieve bewustzijn van de op dat moment dankzij James Fixx explosief groeiende schare lopers. Met succes. Langs een beetje marathon staat tegenwoordig voor elke deelnemer al snel 7,5 liter vocht klaar.

Volgens professor Tim Noakes, sportarts aan de Universiteit van Kaapstad, is er echter één probleem. Volgens hem interpreteerden Wyndham en Strydom hun data verkeerd. Met, zo meent hij, desastreuze consequenties. In zijn boek ‘Waterlogged; The Serious Problem of Hydration in Endurance Sports’ houdt hij dertig jaar onderzoek naar vochtbalans en temperatuurregulatie kritisch tegen het licht. Hij trekt de conclusie dat veel onderzoekers hun eigen resultaten vaak 180 graden verkeerd hebben geïnterpreteerd. Meestal volstrekt te goeder trouw, soms ook om het belang van een sportdrank fabricerende broodheer te dienen. Er is, zo betoogt hij 429 pagina’s lang, nooit enige aanwijzing geweest dat gepland drinken noodzakelijk is, maar vooral de laatste twintig jaar overvloedig bewijs dat er risico’s aan kleven.

David Rogers was volgens hem slechts één van de vele onnodige ‘waterdoden’ die in de voorbije decennia zijn gevallen. Zij stierven aan Exercise Associated Hyponatremic Encefalopathie (EAHE), een door een te lage zoutconcentratie in het bloed geïnduceerde zwelling van de hersenen. Rogers’ casus is één van bijna 1700 gevallen van door overdrinken veroorzaakte hyponatremie in lopers die door Noakes zijn uitgepluisd. De kans dat dit hem was overkomen als hij de drinkadviezen had genegeerd, is ongeveer gelijk aan nul. Hij zou ook niet uitgedroogd zijn geraakt, zelfs niet als hij tijdens de race helemaal niets zou hebben gedronken. Bovendien werd Rogers, net als veel anderen, slachtoffer van de onbekendheid met waterintoxicatie bij (para)medici. Zij gaven hem gedurende enkele uren isotoon vocht, in plaats van het zout en de plasmiddelen die zijn leven met zekerheid zouden hebben gered.

‘De relatieve uitdroging die gepaard gaat met lichamelijke inspanning, is geen pathologische toestand,’ zegt Noakes. ‘Het idee dat je voor en tijdens een loop preventief moet drinken om je vochtbalans op peil te houden is absolute nonsens. We beschikken over een 300 miljoen jaar oud, door bikkelharde evolutie fijn geslepen systeem, dat ons exact vertelt wanneer we moeten drinken en hoe veel we moeten drinken. Het heet dorst. Als je op dorst vertrouwt, zul je nooit uitgedroogd raken, maar ook nooit een waterintoxicatie oplopen. Geen enkel levend wezen heeft vuistregels of campagnes nodig om – mits er voldoende vocht beschikbaar is – zijn vochtbalans te reguleren. Laat je ook tijdens zware inspanning onder hete omstandigheden gewoon leiden door je dorstprikkel. Het idee dat je als je dorst krijgt al te laat bent, is pure onzin. Er is ook geen relatie tussen vochtbalans en oververhitting, zoals nog vaak wordt beweerd. Het was op dat punt dat Wyndham en Strybos destijds de mist ingingen. Getrainde atleten zijn prima opgewassen tegen presteren in de hitte. We kunnen een aanzienlijke hoeveelheid vocht kwijtraken voor we echt in problemen komen, maar met een teveel aan water – een toestand die evolutionair gezien geen precedent kent – weet ons lichaam geen raad. Het staakt dan paradoxaal genoeg de urineproductie.’

Maar is oververhitting dan geen reëel risico? Nee, zegt Noakes. ‘Ruim voor je echt te heet wordt, dwingen de hersenen je om het rustiger aan te doen, een beschermende impuls die vrijwel niemand kan bedwingen. Hetzelfde gebeurt bij echte uitdroging, terwijl je dan ook een onlesbare dorst krijgt, zoals Amerikaanse legerartsen eind 19de eeuw al aantoonden. Als een loper niet goed wordt, wordt vaak rectaal een hoge temperatuur gemeten en daaruit wordt dan geconcludeerd dat de problemen aan oververhitting of uitdroging te wijten zijn. Vergeten wordt dat alle lopers warm worden. Zelden is hitteshock of uitdroging de oorzaak van het ziektebeeld. En de aller heetste atleet staat waarschijnlijk bovenop het ereschavot.’

Prof. Dr. Maria Hopman, inspanningsfysioloog aan het Radboudumc in Nijmegen, deed uitgebreid onderzoek naar vochtbalans en temperatuurregulatie tijdens ondermeer de Vierdaagse en de marathon van Eindhoven. Zij vindt dat Noakes een punt heeft, maar is ook van mening dat hij hier en daar wat doorschiet. ‘Uit onze eigen waarnemingen blijkt onomstotelijk dat veel mensen zelfs tijdens een relatief laag intensief evenement als de Vierdaagse enigszins uitgedroogd raken, ofwel wat te weinig drinken,’ zegt ze. ‘Dat geeft niet altijd symptomen, maar het is niet ideaal en voor bepaalde groepen, zoals ouderen, potentieel riskant. Uitdroging, met een wat verhoogde zoutconcentratie in het bloed, komt in de praktijk veel vaker voor dan overhydratie en hyponatremie. In onze onderzoeken zie je steevast dat wandelaars en hardlopers eerder wat te weinig dan te veel drinken. Twintig procent van de deelnemers aan de Vierdaagse is uitgedroogd. Bijna alle wandelaars die tijdens dit evenement flauw vallen, hebben te weinig gedronken, niet te veel. Natuurlijk, een echte waterintoxicatie met EHAE is levensgevaarlijk. En het is inderdaad van cruciaal belang dat paramedici het in voorkomende gevallen herkennen. Maar tijdens het gemiddelde Nederlandse loopevenement moet je echt heel erg je best doen om zo veel te drinken dat je er ziek van wordt. Waarschijnlijk baseert Noakes zijn angst grotendeels op de situatie bij de grote Amerikaanse loopevenementen, waarbij na iedere mijl een verversingspost staat en waarbij atleten soms inderdaad wel heel indringend worden aangemoedigd om te drinken. In Nederland is het vochtaanbod langs het parcours wat mij betreft dik in orde. Bedenk ook dat een beetje atleet slechts de helft van wat hij kan mee grissen binnenkrijgt. Overigens adviseert ook Tim Noakes tijdens een flinke inspanning nog altijd 800 ml per uur. Dat is aardig veel, hoor. Probeer dat maar eens te drinken in het vuur van de strijd.’

Volgens Hopman is er bovendien wel degelijk een direct verband tussen vochtbalans en temperatuurregulatie. ‘Ja, die relatie zou ik niet durven te ontkennen,’ zegt ze. ‘Hoe beter je gehydreerd bent, hoe geringer de kans dat je oververhit raakt. Vooral tijdens kortere, intensieve inspanningen onder zware omstandigheden, zoals een 10K op een warme zomerdag, bestaat het gevaar dat atleten de waarschuwingssignalen van hun brein negeren en te ver gaan. Wie dan voldoende heeft gedronken, loopt wel degelijk minder risico op een hitteshock dan wie relatief uitgedroogd is. Tijdens een 10K bij 25 graden drink je echt niet snel te veel.’

KADER

Adviezen aan lopers, organisatoren en medisch personeel

De International Marathon Medical Directors Association (IMMDA) omarmt op basis van de beschikbare evidence de drink- en interventierichtlijnen die zijn opgesteld door professor Noakes. Maar ze worden alleen volledig toegepast tijdens de Zuid-Afrikaanse Ironman triathlons. Sinds de invoering ervan in 2000 tellen deze races het laagste aantal medische incidenten ter wereld, een indicatie van de impact van overdrinken. Het American College of Sports Medicine, dat meer invloed heeft op de organisatie van loopevenementen dan de IMMDA, legt nog altijd nadruk op ‘preventief drinken’, dus op gezette tijden en ook wanneer er geen dorst is. Dit zijn de adviezen van Noakes:

* Atleten moeten drinken naar dorst en niet meer dan 800 ml/uur.

* Atleten die in elkaar zakken tijdens de inspanning hebben één of meer serieuze medische problemen en moeten acuut worden behandeld door ter zake kundig medisch personeel.

* Veruit de meeste atleten die na de inspanning in elkaar zakken hebben inspanningsgerelateerde posturale hypotensie (EAPH, lage bloeddruk in staande positie). Zij behoeven geen andere behandeling dan plat liggen met het hoofd wat lager dan hart en bekken.

* De meest voorkomende niet cardiovasculaire oorzaak van in elkaar zakken tijdens de inspanning is EAHE. Op kortere afstanden onder hete omstandigheden komt hitteshock echter wel voor. De juiste diagnose wordt gesteld aan de hand van rectale temperatuur en bloednatriumconcentratie. Hitteshock wordt behandeld met ijswater, EAHE met een hypertone zoutoplossing en plasmiddelen. Stress en overtraining maken het risico op EAHE fors groter.

* Ambulancepersoneel moet de neiging om bij een ingestorte atleet routinematig een (isotoon) infuus aan te leggen bewust onderdrukken. Bij EAHE kan dit dodelijk zijn. Het mag alleen als sprake is van vastgestelde hypernatremie (uitdroging, verhoogde bloednatriumconcentratie). Die toestand komt zeer zelden voor, veel minder vaak dan EAHE.

CREDIT

Waterlogged; The Serious Problem of Hydration in Endurance Sports

Timothy Noakes

Human Kinetics

ISBN: 9781450424974

Geplaatst in Uncategorized | 18 reacties