AHS NL 2016 in Leiden: is niet deelnemen een optie?

9395922ddced3b731ff39d27fe97677f_gallery

Natuurlijk. De meesten van jullie zullen op zaterdag 22 oktober niet in het Leids Universitair Medisch Centrum zijn, maar op de tennisbaan, naar de Apenheul, bij ome Kees en tante Jet, in de tuin of achter de computer, starend naar youtube filmpjes over iemands kat. In deze post leg ik graag nog even kort uit wat je dan zoal mist.

Om te beginnen mis je de eerste presentatie ooit van Dr. Alessio Fasano in de Lage Landen. Uitleggen wie hij is voelt voor mij een beetje als vertellen dat Johan Cruijff een bekende voetballer was, maar omdat er hopelijk ook Foodlog-lezers meekijken, doe ik het toch maar even. Kinderarts en gastro-enteroloog Fasano is oprichter en directeur van het Center for Celiac Research van het Massachusetts General Hospital for Children en hoogleraar aan Harvard Medical School. Eind jaren ’80 kwam hij als veelbelovende jonge arts-onderzoeker uit Italië naar Amerika met de prestigieuze opdracht een vaccin tegen cholera te ontwikkelen. Toen dit vaccin uiteindelijk kon worden getest op proefpersonen, werden jaren van noeste arbeid letterlijk door de wc gespoeld. Op papier klopte alles, maar in de praktijk bleek het vaccin zelf een onaanvaardbaar zware diarree op te wekken. Waar veel andere wetenschappers hun wonden zouden likken om daarna een geheel nieuw pad in te slaan, bleef Fasano naar zijn data turen. Hij vroeg zich af of de natuur hem met dat onverwachte resultaat misschien iets wilde vertellen. Dat wilde zij en via een serie onvoorstelbare toevalligheden ontdekte Fasano dat gluten, het complexe eiwit dat tarwe zijn prachtige bakeigenschappen geeft, ons min of meer op dezelfde wijze belaagt als de cholerabacterie. Het verschil is dat het immuunsysteem van de meeste mensen bij iedere glutenblootstelling afrekent met de peptiden die zo sterk op het jasje van de cholerabacterie lijken. Slechts af en toe gaat het mis en dan krijgt iemand coeliakie, de nare kwaal die pas kort na de Tweede Wereldoorlog onomstotelijk in verband werd gebracht met gluten, door de Utrechts kinderarts Karel Dicke. Fasano en zijn groep hebben aangetoond dat dezelfde mechanismen die een rol spelen bij coeliakie, waarschijnlijk ook aan de basis liggen van een hele rits andere (met name autoimmune) ziekten, zoals diabetes type 1, MS en sommige vormen van kanker. In Leiden zal Fasano vooral ingaan op de rol van het microbioom, dat voor een belangrijk deel bepaalt of iemand met de ‘juiste’ genetische predispositie ziek wordt of niet.

Alsof dat nog niet spannend genoeg is, organiseren we ook een Food Dialogue (ofwel een beschaafd debat) tussen Fasano en de Leidse immunoloog Prof. Dr. Frits Koning. Fasano’s lab verzamelt bewijs dat ook mensen die geen coeliakie of tarweallergie hebben ziek kunnen worden van gluten. Met name Fasano’s pupil Anna Sapone beschikt over data die duiden op het bestaan van ‘glutenovergevoeligheid’ als legitieme klinische entiteit. Hoewel Fasano als hartstochtelijk Napolitaan niemand een leven zonder pasta en pizza gunt, stelt hij met pijn in het hart dat deze Non Celiac Gluten Sensitivity (NCGS) zeer waarschijnlijk echt is. Frits Koning denkt daarentegen dat het fenomeen meer een modeverschijnsel is. Als beide grootheden de degens kruisen, kon dat wel eens een aardig intellectueel vuurwerk opleveren. Verwacht geen berichtgeving in de ‘serieuze’ media, want deze stuff is veel te complex voor de gatekeepers van de wetenschapspagina’s, die bovendien niets op hebben met toepassing van Darwin op subdisciplines van de biologie, zoals geneeskunde en voedingsleer🙂.

Fasano geeft een keynote. Het thema is Darm & Vuur en we zijn dan ook ontzettend blij dat de Leidse paleoantropoloog Wil Roebroeks de andere keynote wil geven. De mens als geboren kok is een populair idee. De Britse paleoantropoloog Richard Wrangham betoogt ondermeer in zijn boek Catching Fire dat mensen hun complexe brein te danken hebben aan de vroege beheersing van vuur. Aangezien we miljoenen jaren geleden al at will fikkies konden stoken, waren we al heel vroeg in staat om meer energie uit met name wortelstelsels en knollen te winnen. Dat energiesurplus was voldoende voor de encefalisatie-explosie die uiteindelijk tot Homo sapiens leidde. Dit allemaal volgens Wrangham. Een probleem met de Wrangham hypothese is een opvallend gebrek aan fossiel bewijs voor het structurele gebruik van vuur door de voorlopers van mensen in de perioden waarin de encefalisatiespurts vermoedelijk plaats hadden. Wil Roebroeks heeft hard gemaakt dat Homo erectus niet of nauwelijks vuur gebruikte toen hij tijdens de eerste Out of Africa migratie zo’n miljoen jaar geleden Europa binnenkwam. Als Wrangham gelijk heeft en erectus in Afrika routinematig vuur maakte, zou het vreemd zijn wanneer hij die gewoonte bij de exploratie van veel koudere gebieden ineens zou opgeven. Roebroeks plaatst het begin van routinematig vuurgebruik in Europa tussen 400.000 en 300.000 jaar geleden en niet bij erectus maar verrassend genoeg bij de Neanderthalers. Homo sapiens bereikte het Midden Oosten en Europa rond 100.000 jaar geleden, maar liet zelfs toen nauwelijks sporen van vuurgebruik achter. De Leidenaren worstelen met het raadsel hoe deze anatomisch moderne mensen zich in hemelsnaam warm hielden in de barre Europese winters. Een hoog aandeel metabool actief en extreem thermogeen (warmte producerend) bruin vet is één van de belangrijkste kanshebbers. Spannend of spannend?

Wie vuur en koken zegt, zegt tegelijk Advanced Glycation Endpruducts, kortweg AGE’s. Hoe je je eten bereidt is wellicht even belangrijk voor je gezondheid als het eten zelf. AGE’s zijn verbindingen tussen suiker en eiwit die zonder tussenkomst van enzymen ontstaan wanneer je die twee met elkaar in contact brengt. Hoe heter de omgeving, hoe sneller die reactie verloopt. Enorme hoeveelheden AGEs worden gevormd bij het agressief verhitten van voedsel, vooral van producten met veel eiwit en vet. AGEs maken eten lekker. Het heerlijke bruine korstje op een gegrilde kip? AGEs. De onweerstaanbare geur van vers gebakken croissants? AGEs. Helaas zijn AGEs niet alleen maar lekker, ze zouden volgens sommige wetenschappers al in betrekkelijk kleine hoeveelheden voor problemen te kunnen zorgen. AGE-onderzoeker Helen Vlassara doet bijvoorbeeld het liefst alle exogene AGEs in de ban. Volgens de Wageningse AGE-onderzoeker Vincenzo Fogliano – die in Leiden komt spreken – is het echter onwaarschijnlijk dat de AGE-load van bijvoorbeeld gebraden vlees bij een gezond iemand tot problemen leidt, mits hij of zij ‘verder gezond eet’. Voor landbouwman Fogliano is dat min of meer volgens de Schijf van Vijf. Symposiumgangers plaatsen het AGE-vraagstuk hoogstwaarschijnlijk liever in de context van een evolutionair geschikt voedingspatroon, met om te beginnen niet of nauwelijks bloedsuiker- en insulineverhogende, potentieel tot metabole endotoxemie leidende acellulaire koolhydraten. Wat vindt Fogliano hiervan? Alleen als je komt, kun je het hem vragen.

Ik zal niet zeggen klap op de vuurpijl, maar zelf kijk ik toch wel heel erg uit naar de lezing van Josephine Joordens, een zeebioloog met een PhD in de geologie, nu werkzaam aan de faculteit Archeologie van de Universiteit van Leiden en een collega van Wil Roebroeks. In haar lezing ‘Water en vuur: wat dreef onze menselijke evolutie?’ stelt zij de vraag of de evolutie van ons complexe brein het gevolg was van onze interactie met vuur, van onze interactie met kustlandschappen met de alleen daar toegankelijke breinspecifieke nutriënten, van geen van beide of van beide. Hoewel Joordens volgens mij warm loopt voor of zelfs aanhanger is van de waterkanthypothese, stelt zij in haar introductie: However, while important, these [brain specific] nutrients as such do not provide a satisfying explanation for our spectacular braininess. Zij lijkt dus evidence te hebben die de theorie van Stephan Cunnane (Survival of the Fattest; The Key to Human Brain Evolution) ondermijnt. Wat is die evidence? Ook hier geldt: alleen als je echt helemaal niks met onze biologie hebt, baal je niet als je het haar niet kunt horen uitleggen.

Zonder de overige sprekers – Peter Joosten over Quantified Self, Dr. Elske Bos (bioloog, filosoof en fietsenmaker!) over de waarde van n=1 studies in vergelijking tot groepsstudies, Geja Heinen over de Gut Brain Axis en (onbevestigd) Dr. Huub Savelkoul over het microbioom – tekort te willen doen, stop ik mijn pleidooi om er op 22 oktober bij te zijn hier. Waarom? Alleen omdat ik zometeen voor zeven dagen op reportage moet en ik mijn koffer nog moet pakken🙂. Ajuus en tot ziens in Leiden! Dit jaar hebben we na afloop zeer waarschijnlijk een after party waar iedereen nog even kan napraten met iedereen. En o ja, dit jaar is er koffie zodra je je hebt geregistreerd!

52dc2b57ab43f78d4b583f77e832141a_gallery

Geplaatst in Uncategorized | 70 reacties

Zijn remsporen paleo?

zxcJY

Puur voor ’t Nut van ’t Algemeen ga ik voor één keer op de hypochondrische toer. Voor zover ik weet of eigenlijk vooral hoop (je weet zelden iets) mankeer ik behalve een neolithisch gebit dat zelfs met de beste orthodontische zorg niet meer in het gelid geplaatst kan worden, een neolithische bijziendheid die mijn droom om bush pilot te worden destijds bij een keuringsarts op Schiphol Oost om zeep hielp (levensreddend, vermoedelijk) en een tamelijk geprononceerde kippenborst, vrij weinig. De reden dat ik ooit paleo ging was, althans dat maak ik mezelf wijs, zuiver rationeel en zonder bijbedoelingen. Het paleoverhaal is een logisch verhaal, ga ervoor, kijk niet om, behalve als onverhoopt blijkt dat leven onder meer evolutionair ‘normale’ omstandigheden de achterdeur uit is. Dat was zo ongeveer de insteek. En er was nooit ook maar de geringste aanwijzing dat het de achterdeur uit was. Integendeel.

Toch kamp ik al heeeeeel lang, zeker vanaf mijn vijftiende, met een obscuur kwaaltje. Pijnen en pijntjes in de bovenrug en borstkas, komend en gaand, soms met uitstraling naar de armen. Het zit vast aan beweging, je kunt het provoceren door bijvoorbeeld je armen omhoog te doen, het lijkt dus in alle opzichten musculoskeletair, maar dat neemt niet weg dat het de fantasie van iemand die iets van cardiovasculair lijden weet tamelijk gemakkelijk op hol kan doen slaan. In 1998 rende ik er een keer de EHBO van het ziekenhuis in Hoorn mee binnen. Toen ik met een piepstemmetje mijn verhaal had gedaan werd ik onmiddellijk op een brancard geworpen en naar een onderzoekskamer geracet; de indrukwekkende santenkraam die werd opgetuigd overtuigde me er nog meer van dat ik stervende was, tenzij het de dokters zou lukken om op tijd vijf bypasses aan te brengen. Welcome to the Zipper Club, jengelde het door mijn hoofd. Ik weet nog dat ik me serieus afvroeg wat nu eigenlijk de beste optie was, dood zijn of verder als te vroeg bejaarde man met een ritssluiting.

Ha, ha, ha, ha, ha.

Okay, het is eigenlijk niet om te lachen, want er zijn pechvogels die al op jonge leeftijd echt aan de beurt zijn voor zo’n Van ’t Hekje. Ons medeleven gaat uit naar mensen als mediamagnaat Reinout Oerlehannes en de vriend van een Beroemde Gezondheidsjournaliste Voor De Betere Bladen, al kwam die laatste volgens mij weg met alleen statineus ingrijpen. Serieuze stuff, met andere woorden en het kan een ieder treffen. Enfin, mij niet, toen. “Ik zie het hart van een jonge hond,” zei de adembenemend mooie cardiologe, na een blik op het ECG te hebben geworpen. “Je hebt waarschijnlijk wat last van de tussenribspiertjes. Of van de aanhechtingen ervan aan de ribben en het borstbeen. Samen met spanning en nervositeit kan dat heel angstige klachten geven. We zien het hier best vaak.”

Ehhh, ja. Beschaamd excuses mompelend droop ik af. Het obsessieve lezen in medische bibliotheken dat vermoedelijk ten grondslag lag aan de catastrofale interpretatie van de symptomen, had me ook al iets geleerd over costochondritis. Dit is een zo goed als onbegrepen kwaaltje, waarbij de kraakbeenverbindingen tussen de ribben en het sternum en soms ook tussen de ribben en de wervelkolom ‘ontstoken’ of geïrriteerd zijn. Althans dat is het vermoeden. Gaat het gepaard met zichtbare zwelling, dan wordt het het syndroom van Tietze genoemd. Doordat de borstkas rijk geïnnerveerd is, is het heel waarschijnlijk dat deze irritatie zenuwbanen prikkelt die ook worden getriggerd door een hart in nood. Cardiologe Janet Travell (de lijfarts van John F. Kennedy) meende dat costochondritis en een licht verstoord metabolisme van spieren in de borstregio (ze sprak van ‘triggerpoints’, die overigens elektrofysiologisch kunnen worden aangetoond) klachten kunnen geven die nauwelijks zijn te onderscheiden van een naderend of zich voltrekkend hartinfarct. Het enige verschil is dat je de pijn meestal kunt aanraken en met borstbewegingen provoceren. Aanstelleritis is het dus kennelijk niet en je hoeft geen watje te zijn om er door op het verkeerde been te worden gezet. Hier een duidelijk filmpje van een meisje dat het kennelijk wel heel erg heeft en voor wie het letterlijk invaliderend was.

Anyway, je leert met zoiets te leven. Het is een pain in the ass die er bij gaat horen en je houdt jezelf voor dat er veel ergere dingen zijn. Het hinderde me niet, niet eens met sporten, zo lang ik het mentale duiveltje ervan maar onder het deksel hield. Paleo gaf geen enkele verbetering in dit departement. De theorie van Dr. John Sarno – die stelt dat verwaarloosde geestelijke conflicten hun uitweg zoeken in een door de hersenen geïnduceerde lokale ischemie in bepaalde spiergroepen en dus in onverklaarbare lichamelijke pijn – bood mij geen soelaas. Toch raakte ik deze trouwe kwelgeest enige tijd geleden zo goed als kwijt. Vandaar deze post. Die voor sommigen beslist zal eindigen met een anticlimax.

De op een na voorgaande post over die ouwe gek van een Blake Donaldson spoorde me aan om weer eens wat nader te kijken naar groenten. Zijn ze terecht het vanzelfsprekende, met een gezondheidshalo bekroonde onderdeel van het paleoperspectief dat de meesten van ons ervan maken? Is het mogelijk dat een royale, dagelijkse groenteconsumptie een neolithisch fenomeen is dat bij sommige mensen averechtse gezondheidseffecten teweeg brengt? Het is vrij zeker dat Homo sapiens in zijn vroege ontwikkeling gedurende lange perioden tamelijk weinig plantaardig materiaal heeft gegeten. Ontzettend veel in het wild groeiende gewassen zijn giftig. Wel eetbare bladeren en stronken leveren zo weinig energie en voedingsstoffen, dat een soort met zo’n hongerig brein als het onze wel gek zou zijn om energie in het verzamelen ervan te steken. Fruit levert energie en is vaak veilig omdat het gegeten wil worden, maar is zeker op de wat hogere breedten ook slechts periodiek beschikbaar. Daar staat tegenover dat we een lange, lange periode als primair vegetarische primaat achter de rug hebben en dat het op z’n minst nogal onwaarschijnlijk lijkt dat we massaal ziek worden van bladeren, scheuten en vruchten die niet evident toxisch zijn. Toch zag ik aanleiding om met name een royale groenteconsumptie ter discussie te stellen. Eén reden daarvoor waren de persoonlijke en klinische waarnemingen van de Britse huisarts Clare Morrison, die fibromyalgie-achtige klachten zag verdwijnen op een voeding zonder groenten en dat toeschrijft aan het vaak hoge oxalaat-gehalte van veel eetbare gewassen. Oxalaat is giftig voor de mitochondriën.

De tweede en voor mij meer intrigerende reden om vraagtekens te plaatsen bij royale groenteconsumptie was wat ik noem de Spreadbury & Hansen Etiologie van Alles. In mijn boek ga ik hier straks/ooit zeer uitgebreid op in, hier volsta ik met de hoofdpunten:

Aan de meeste moderne ziekten ligt een haperende energiehuishouding ten grondslag, in de vorm van te weinig of slecht functionerende mitochondriën en een disbalans tussen mitochondriële fission en fusion (Melissa Hansen).

Deze mitochondriële disfunctie zit upstream van alle symptomen en pathologie die we in verband brengen met Metabool Syndroom, inclusief hyperinsulinemie en afwijkende Kraft patronen. Dit zijn (‘slechts’) markers van het eigenlijke probleem.

De mitochondriële disfunctie wordt op zijn beurt veroorzaakt door een milde metabole endotoxemie (Spreadbury). LPS en andere PAMPS leiden tot pathologische opslag van de sfyngolipide ceramide, met verminderde mitochondriële respiratie als resultaat.

De metabole endotoxemie is weer het gevolg van overbemesting van de flora in de dunne darm (Spreadbury). Spreadbury benoemde de hier inmiddels overbekende dense acellular carbohydrates als de primaire boeven in dit drama. Mij leek het logisch om ook vezels kritisch onder de loep te nemen, want ook die vormen in potentie substraat voor een eventueel te rijk microbioom in de dunne darm, zo was mijn overweging. Ik bleek deze gedachtegang te delen met de altijd zeer scherp redenerende Amber O’Hearn, die er ondermeer hier helder over schrijft. Anders dan O’Hearn ging ik er in mijn hypothese vanuit dat glucose (uit bijvoorbeeld fruit) geen problemen veroorzaakt, omdat het in de circulatie wordt opgenomen zodra het de dunne darm in komt en dus geen kans krijgt het eventueel te rijke microbioom aldaar noemenswaardig te voeden.

Om een veel te lang verhaal iets korter te maken, ik probeerde een gemodificeerd all meat diet op mezelf uit om mijn hypothese te ‘testen’. Als observatievariabelen koos ik genoemde costochondritisklachten en andere subjectieve waarden als inspanningstolerantie, energieniveau en algeheel welbevinden. In eerste instantie ging het fantastisch. De pijntjes tussen de schouderbladen en in de ribben verdwenen vrijwel volledig. Dit kan natuurlijk een gigantisch placebo-effect zijn geweest, maar ik vind het zelf opmerkelijk. Ook had ik het gevoel dat mijn inspanningstolerantie rap toenam. Ik kon bij mijn Freeletics sessies zomaar 50 strakke burpees achter elkaar maken, zonder het gevoel te hebben te exploderen. Verder beeldde ik me in nog iets minder degig te worden in de buikregio. Maar het meest opmerkelijke resultaat was het onmiddellijke en vrijwel volledig verdwijnen van remsporen. De ontlasting bleef zich des ochtends onveranderd aandienen na de eerste kop koffie, maar was ineens aangenaam klein en compact. Niet meer die enorme hopen paardenstront. Afvegen vergde niet of nauwelijks toiletpapier. De witte onderbroeken die mijn vrouw standaard koopt opdat ik er dagelijks zelf aan word herinnerd ze in de was te gooien – hetgeen voor mij beslist geen vanzelfsprekendheid is – bleven kraakhelder. Hoogmoedig bedacht ik de titel van deze post: Zijn remsporen Paleo?

Dat was mogelijk dom. Want we kennen allemaal het spreekwoord. Hoogmoed, wankeling, val. Welnu, ik ging tamelijk languit op mijn bek. Een paar weken into het experiment begon ik me minder fit te voelen. Beetje hangerig, ’s avonds om half acht al zin om naar bed te gaan, zulke gekke dingen. Na een straatbarbecue begin juli kreeg ik de eerste stevige verkoudheid sinds ik weet niet hoe lang en daar was ik ook nog eens een week beroerd van. Bizar, voor mij. Tot overmaat van ramp begon mijn vrouw me voorzichtig te vertellen dat ik eruit zag als een lijk. Geen kleur meer op de wangen, blauwe lippen, het klonk verschrikkelijk eng, zeker voor iemand met een neiging tot hartneurose. Op een helder moment besloot ik dat het genoeg was. Het was namelijk ook best heel erg saai, alleen vlees en vis en in mijn geval wat fruit eten. Ik schakelde van de ene op de andere dag over op full blown Bierviltje met alle mogelijke groenten en behoorlijk wat fruit in de mix. Life returned. Het voelde alsof ik aan een acculader werd gelegd. Weer enkele weken later was de lethargie verdwenen en had ik volgens mijn vrouw weer een normale kleur. Hypothese gefalsifieerd, althans voor mijzelf.

Tegelijk met mij deed Mariet Hoen een nog veel strakker all meat (vlees, vis, water) experiment. Op haar blog kun je lezen dat ook zij helaas niet de resultaten boekte die de hypothese voorspelt. Tije en Christel daarentegen, die hier vaak reageren, hebben gigantische voordelen gezien, zoals je in de commentaren hier en bij Mariet kunt nalezen. Verder barst het van de anekdotes van mensen die de meest afschuwelijke ellende zagen verdwijnen op dit regiem. Die trek ik niet in twijfel, al valt het me wel op dat all meaters er grosso modo – dus niet allemaal! –enigszins bescheten uitzien. Fenotype zegt niet alles, ik weet het, maar het voelt niet goed.

Op de kwaliteit van mijn eigen experiment valt van alles aan te merken. Ik ben te kort daadwerkelijk all meat geweest om een eventueel noodzakelijke transitiefase te overbruggen. Toch heb ik een paar hypothetische verklaringen. Het is natuurlijk goed mogelijk en zelfs best waarschijnlijk dat het microbioom in mijn dunne darm na al die jaren paleo (zonder compacte, acellulaire koolhydraten) behoorlijk lean & mean is en geen draconische uithongeringsinterventie behoeft. Het is zelfs denkbaar dat het microbioom dat daaronder woont, in de dikke darm, gewend is aan de vezels uit groenten. De lamlendigheid die me overviel zou het gevolg geweest kunnen zijn van een verarming van dit lage microbioom, al pleiten goede argumenten van Amber O’Hearn hier weer tegen. De voor mij meest plausibele verklaring is echter hormese. Als we aannemen dat Homo sapiens wel is geëvolueerd met een geregelde inname van eetbare blaadjes, twijgjes en wortelstelsels – en Esther Nederhof gaf me gisteren een paar sterke argumenten die daarvoor pleiten – dan zijn we gewend aan een zekere toxische ‘achtergrondruis’. Echte vergiftiging van de mitochondriën is overduidelijk geen goed idee. Maar zo’n beetje alle medicijnen die werken tegen aan mitochondriële disfunctie gekoppelde kwalen, hebben een lichte mitochondriële toxiciteit. Het bekendste voorbeeld is good old metformine, dat anti zo’n beetje alle narigheid is en in een aantal diermodellen zelfs levensverlengend werkt. Wanneer deze stress plotseling wegvalt, gaan de mito’s – en daarmee het hele organisme – mogelijk minder goed functioneren, omdat bepaalde verdedigingsmechanismen in slaap vallen. Een anders alert immuunsysteem heeft ineens moeite met een makkelijk verkoudheidsvirusje.

En hoe zit het nu met die ribklacht? Aanvankelijk kwam hij geleidelijk terug (nocebo-effect?), maar een paar simpele oefeningen van fysiotherapeut Steve August uit Nieuw Zeeland lijken het probleem tot nu toe in de kiem te smoren. Zonder Back Pod, overigens.

Maar het alleropmerkelijkste is dat ook de remsporen ondanks de weer copieuze groentenfestijnen nog steeds volledig uitblijven.

En tenslotte:

Slechts heel zijdelings gerelateerd en gewoon voor de lol: Disfunctionele xenofobie is geassocieerd met meer karakteristieke fenotypische kenmerken dan alleen geelwit, pruikachtig hoofdhaar.

Slechts heel zijdelings gerelateerd en gewoon voor de lol: Disfunctionele xenofobie is geassocieerd met meer karakteristieke fenotypische kenmerken dan alleen geelwit, pruikachtig hoofdhaar.

Geplaatst in Uncategorized | 69 reacties

Kanker: het blinde, dodelijke dogma van de genenjagers

Ik heb weinig tijd voor duiding, maar deze lezing door Thomas Seyfried is te belangrijk om alleen in een reactie te dumpen. Kanker een primair genetische ziekte? Het is onvoorstelbaar hoe veel mensen er anno 2016 nog rondlopen die dit denken, al het overweldigende bewijs voor een metabole, mitochondriële etiologie ten spijt.

Geplaatst in Uncategorized | 33 reacties

Hoe een huisarts 40.000 pond per jaar bespaart

Toen ik nog actief was op het voor niet gepensioneerden helaas te verslavende en tijdvretende online platform Twitter, wisselde ik ook geregeld informatie uit met de Britse huisarts David Unwin. Een aardige, optimistische gast die open staat voor nieuwe informatie en die bereid is van de protocollen af te wijken als die zo aantoonbaar de achterdeur uit blijken te zijn dat zelfs een gorilla het ziet. Ik was dan ook aangenaam verrast toen Alex dit recente filmpje opduikelde, waarin Unwin wordt geïnterviewd door de niet te stuiten ingenieur/onderzoeker/journalist Ivor Cummins. Hij blijkt samen met zijn vrouw, die klinisch psycholoog is, een gezondheidscentrum te runnen waarbinnen Paleo/Low Carb min of meer de hoeksteen is in de behandeling van de zo waanzinnig prevalente metabole aandoeningen.

Die aanpak werpt veel vruchten af. Unwin doet een paar interessante dingen uit de doeken. In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, blijken patiënten over het algemeen open te staan voor een leefstijlverandering op basis van logische biologische argumenten. Unwin kwam zelf met Paleo/Low Carb in contact door een patiënte die stiekem, op eigen houtje Paleo was gegaan en haar diabetes en hoge bloeddruk omkeerde. Het probleem is volgens Unwin niet de onwil of desinteresse van de patiënt, het probleem is het gebrek aan keuze. Als een (huis)arts een patiënt geen andere optie biedt dan ‘medicatie, bewegen en de Schijf van Vijf’, dan mag je bij progressie van de ziekte niet roepen dat patiënt geen belangstelling heeft voor een leefstijlverandering. Leg intelligente patiënten het paleo perspectief uit en ze kiezen negen van de tien keer eieren voor hun geld.

Dat heeft binnen de praktijk van Unwin en zijn vrouw geleid tot een besparing op jaarbasis van 40.000 pond op uitgeschreven medicatie en de beste glucoregulatie in de regio waartoe de praktijk behoort. Cynisch genoeg doet de praktijk het hierdoor zakelijk gezien (veel) slechter dan praktijken die hun patiëntenpopulatie ziek, slikkend en spuitend houden. Een deel van het geld dat de verzekering uitkeert voor medicatie vloeit immers in de kas van de praktijk. Unwin maakt zich bovendien weinig populair bij bijvoorbeeld interventiecardiologen, die van hem bitter weinig klanten doorverwezen krijgen. Er valt geen moer te stenten en te bypassen in zo’n gezonde populatie en zeg nou zelf, als het uitvoeren van zo’n trucje je wekelijks een leuke middenklasser oplevert, dan vind je dat niet leuk. In Nederland werkt het ongeveer hetzelfde en dit verklaart waarom de evolutionaire benadering van ziekte en gezondheid in de geneeskunde nooit Best Practice zal worden.

Ter illustratie van de harde realiteit een (ongewoon leesbare) passage uit het megalomane project dat langzaam vordert🙂 . Hij komt uit een hoofdstuk over één van de heel weinige mensen die ik op hun eigen uitdrukkelijke verzoek van nabij heb gecoacht.

Henrik werd ook verlost van zijn migraine, zijn oorsuizen, zijn nocturie (’s nachts om de haverklap uit bed moeten om te plassen), zijn peesproblemen en zijn impotentie. De paniek waar alles mee was begonnen, was een vage herinnering. Paradoxaal genoeg zijn het dit soort anekdotes, n=1nen die een compleet spectrum van ogenschijnlijk ongerelateerde kwalen zien verdwijnen, die bij veel artsen en wetenschappers de alarmbellen doen afgaan. Dat kan niet waar zijn. Dat moet wel bogus zijn, want de belofte dat iets tegen alles helpt is het kenmerk van de traditionele kwakzalver. Wat deze mensen over het hoofd zien is dat de veranderingen die optreden logisch zijn, exact wat je moet verwachten als je naar de biologie kijkt. Zoals we in vorige hoofdstukken hebben gezien zijn de aandoeningen en symptomen die Henrik plaagden downstream fenomenen van een inmiddels epidemische metabole ontsporing, mogelijk in combinatie met een onfortuinlijke reactie op gluten en andere eiwitten waar mensen niet goed raad mee weten. Het zou dus vreemd zijn als correctie van de vanuit evolutionair perspectief abnormale omstandigheden die deze metabole ontsporing uitlokken niet tot regressie of tenminste verbetering van genoemde aandoeningen en symptomen zou leiden. Helaas reageren veel artsen en andere zorgprofessionals wanneer ze met dit soort verbeteringen worden geconfronteerd vaak eerder defensief of zelfs vijandig dan blij verrast en nieuwsgierig. Henriks huisarts, die hem aanvankelijk nota bene had gesommeerd om meer te gaan bewegen en gezonder te gaan eten, sloeg de ontwikkeling met stijgende tegenzin gade. Hoewel Henrik hem van meet af aan vertelde wat hij van plan was, toonde de arts steeds minder belangstelling. Henriks menu was niet zijn idee van gezond eten. Toen Henrik over de hele linie gezond werd, kon er van de kant van zijn huisarts niet meer af dan een schouderophalend ‘Bijzonder, maar ik kan hier niets mee’. Zijn diabetesverpleegkundige en diëtiste waren not amused. Henrik wilde hen betrekken bij zijn zoektocht, had zelfs graag extra betaald voor hun diensten, maar stuitte op zoveel weerstand dat hij geen andere oplossing zag dan het duo al in een vroeg stadium eenvoudigweg te dumpen. Zijn laatste poging tot dialoog ontaardde in een tirade met veel rondvliegend speeksel en de waarschuwing dat het met dat belachelijke dieet nog slechts een kwestie van tijd zou zijn voor hij op de hartbewaking zou liggen. Als hij het geluk had het ziekenhuis levend te halen, werd hem nog toegebeten.

Wordt ooit in druk vervolgd, ha, ha, ha.

En hier nog een interessante lezing waarin David Unwin en zijn vrouw Jen (klinisch psycholoog) uitleggen hoe ze in hun praktijk te werk gaan.

 

Geplaatst in Uncategorized | 80 reacties

Drink je niet kapot

Slim young woman drinking water after training

Slim young woman drinking water after training

Wegens nog voortgaande experimenten en een bizarre werkdruk laat de beloofde post ‘Zijn remsporen paleo?’ nog even op zich wachten. Als intermezzo vandaag een niet (hoewel?) paleo gerelateerd onderwerp, want gezien de alsmaar hysterischer wordende oproepen om toch vooral o-ver-vloe-dig te drinken is het volgens mij wachten op de eerste waterdode.

Mensen zijn geboren duurlopers met een delicaat vermogen om vochtverlies te hanteren. Waar het lichaam géén raad mee weet, is te véél vocht. Drink dus niet te veel, ook niet als het warm is. Dat stelt de Zuid-Afrikaanse sportarts Tim Noakes. De Nijmeegse inspanningsfysioloog Maria Hopman vindt dat Noakes een punt heeft, maar acht het risico op uitdroging en hitteshock nog altijd veel groter dan dat op waterintoxicatie.

David Rogers, 22 jaar, was een getalenteerd en fanatiek hardloper. In zijn favoriete hardloopblad had hij gelezen dat je als serieuze atleet niet genóég vocht tot je kunt nemen en dat je nooit moet wachten tot je dorst krijgt. Dat zelfs een beetje uitdroging tot prestatieverlies leidt. En dat weinig drinken in warme omstandigheden het risico op een hitteshock verhoogt. Dus toen hij de digitale thermometers langs de route van de London Marathon op 22 april 2007 zag oplopen tot een ongebruikelijke 22 graden, dronk hij, zoals de organisatie ook voortdurend omriep, elk bekertje vocht dat hij te pakken kreeg. En dat was te veel. In de laatste kilometers van de race werd David niet lekker. Omstanders zagen hem na de finish versuft en ongecoördineerd rond strompelen, alvorens hij in elkaar zakte en in foetushouding bleef liggen. Twaalf uur later stierf hij in een Londens ziekenhuis.

In 1969 publiceerden de in hitteshock gespecialiseerde Zuid-Afrikaanse mijnartsen Wyndham en Strydom een alarmerend onderzoeksrapport. Duursporters moesten volgens hen voor, tijdens en na een training of race zo veel drinken als ze konden. Anders zouden ze, net als de mijnwerkers met wie het duo veel ervaring had, bij bosjes sterven aan hittestuwing. Deze conclusie werd onmiddellijk geaccepteerd door vrijwel alle sportwetenschappers. Bijna letterlijk van de ene op de andere dag veranderde het advies wereldwijd van ‘drink tijdens een race niet of nauwelijks’ in ‘drink zo veel en vaak als je kunt, ook tijdens trainingen’. De sportdrankenindustrie omarmde het nieuwe paradigma gretig. Zij deed alles om de noodzaak van ‘preventief drinken’ rotsvast te verankeren in het collectieve bewustzijn van de op dat moment dankzij James Fixx explosief groeiende schare lopers. Met succes. Langs een beetje marathon staat tegenwoordig voor elke deelnemer al snel 7,5 liter vocht klaar.

Volgens professor Tim Noakes, sportarts aan de Universiteit van Kaapstad, is er echter één probleem. Volgens hem interpreteerden Wyndham en Strydom hun data verkeerd. Met, zo meent hij, desastreuze consequenties. In zijn boek ‘Waterlogged; The Serious Problem of Hydration in Endurance Sports’ houdt hij dertig jaar onderzoek naar vochtbalans en temperatuurregulatie kritisch tegen het licht. Hij trekt de conclusie dat veel onderzoekers hun eigen resultaten vaak 180 graden verkeerd hebben geïnterpreteerd. Meestal volstrekt te goeder trouw, soms ook om het belang van een sportdrank fabricerende broodheer te dienen. Er is, zo betoogt hij 429 pagina’s lang, nooit enige aanwijzing geweest dat gepland drinken noodzakelijk is, maar vooral de laatste twintig jaar overvloedig bewijs dat er risico’s aan kleven.

David Rogers was volgens hem slechts één van de vele onnodige ‘waterdoden’ die in de voorbije decennia zijn gevallen. Zij stierven aan Exercise Associated Hyponatremic Encefalopathie (EAHE), een door een te lage zoutconcentratie in het bloed geïnduceerde zwelling van de hersenen. Rogers’ casus is één van bijna 1700 gevallen van door overdrinken veroorzaakte hyponatremie in lopers die door Noakes zijn uitgepluisd. De kans dat dit hem was overkomen als hij de drinkadviezen had genegeerd, is ongeveer gelijk aan nul. Hij zou ook niet uitgedroogd zijn geraakt, zelfs niet als hij tijdens de race helemaal niets zou hebben gedronken. Bovendien werd Rogers, net als veel anderen, slachtoffer van de onbekendheid met waterintoxicatie bij (para)medici. Zij gaven hem gedurende enkele uren isotoon vocht, in plaats van het zout en de plasmiddelen die zijn leven met zekerheid zouden hebben gered.

‘De relatieve uitdroging die gepaard gaat met lichamelijke inspanning, is geen pathologische toestand,’ zegt Noakes. ‘Het idee dat je voor en tijdens een loop preventief moet drinken om je vochtbalans op peil te houden is absolute nonsens. We beschikken over een 300 miljoen jaar oud, door bikkelharde evolutie fijn geslepen systeem, dat ons exact vertelt wanneer we moeten drinken en hoe veel we moeten drinken. Het heet dorst. Als je op dorst vertrouwt, zul je nooit uitgedroogd raken, maar ook nooit een waterintoxicatie oplopen. Geen enkel levend wezen heeft vuistregels of campagnes nodig om – mits er voldoende vocht beschikbaar is – zijn vochtbalans te reguleren. Laat je ook tijdens zware inspanning onder hete omstandigheden gewoon leiden door je dorstprikkel. Het idee dat je als je dorst krijgt al te laat bent, is pure onzin. Er is ook geen relatie tussen vochtbalans en oververhitting, zoals nog vaak wordt beweerd. Het was op dat punt dat Wyndham en Strybos destijds de mist ingingen. Getrainde atleten zijn prima opgewassen tegen presteren in de hitte. We kunnen een aanzienlijke hoeveelheid vocht kwijtraken voor we echt in problemen komen, maar met een teveel aan water – een toestand die evolutionair gezien geen precedent kent – weet ons lichaam geen raad. Het staakt dan paradoxaal genoeg de urineproductie.’

Maar is oververhitting dan geen reëel risico? Nee, zegt Noakes. ‘Ruim voor je echt te heet wordt, dwingen de hersenen je om het rustiger aan te doen, een beschermende impuls die vrijwel niemand kan bedwingen. Hetzelfde gebeurt bij echte uitdroging, terwijl je dan ook een onlesbare dorst krijgt, zoals Amerikaanse legerartsen eind 19de eeuw al aantoonden. Als een loper niet goed wordt, wordt vaak rectaal een hoge temperatuur gemeten en daaruit wordt dan geconcludeerd dat de problemen aan oververhitting of uitdroging te wijten zijn. Vergeten wordt dat alle lopers warm worden. Zelden is hitteshock of uitdroging de oorzaak van het ziektebeeld. En de aller heetste atleet staat waarschijnlijk bovenop het ereschavot.’

Prof. Dr. Maria Hopman, inspanningsfysioloog aan het Radboudumc in Nijmegen, deed uitgebreid onderzoek naar vochtbalans en temperatuurregulatie tijdens ondermeer de Vierdaagse en de marathon van Eindhoven. Zij vindt dat Noakes een punt heeft, maar is ook van mening dat hij hier en daar wat doorschiet. ‘Uit onze eigen waarnemingen blijkt onomstotelijk dat veel mensen zelfs tijdens een relatief laag intensief evenement als de Vierdaagse enigszins uitgedroogd raken, ofwel wat te weinig drinken,’ zegt ze. ‘Dat geeft niet altijd symptomen, maar het is niet ideaal en voor bepaalde groepen, zoals ouderen, potentieel riskant. Uitdroging, met een wat verhoogde zoutconcentratie in het bloed, komt in de praktijk veel vaker voor dan overhydratie en hyponatremie. In onze onderzoeken zie je steevast dat wandelaars en hardlopers eerder wat te weinig dan te veel drinken. Twintig procent van de deelnemers aan de Vierdaagse is uitgedroogd. Bijna alle wandelaars die tijdens dit evenement flauw vallen, hebben te weinig gedronken, niet te veel. Natuurlijk, een echte waterintoxicatie met EHAE is levensgevaarlijk. En het is inderdaad van cruciaal belang dat paramedici het in voorkomende gevallen herkennen. Maar tijdens het gemiddelde Nederlandse loopevenement moet je echt heel erg je best doen om zo veel te drinken dat je er ziek van wordt. Waarschijnlijk baseert Noakes zijn angst grotendeels op de situatie bij de grote Amerikaanse loopevenementen, waarbij na iedere mijl een verversingspost staat en waarbij atleten soms inderdaad wel heel indringend worden aangemoedigd om te drinken. In Nederland is het vochtaanbod langs het parcours wat mij betreft dik in orde. Bedenk ook dat een beetje atleet slechts de helft van wat hij kan mee grissen binnenkrijgt. Overigens adviseert ook Tim Noakes tijdens een flinke inspanning nog altijd 800 ml per uur. Dat is aardig veel, hoor. Probeer dat maar eens te drinken in het vuur van de strijd.’

Volgens Hopman is er bovendien wel degelijk een direct verband tussen vochtbalans en temperatuurregulatie. ‘Ja, die relatie zou ik niet durven te ontkennen,’ zegt ze. ‘Hoe beter je gehydreerd bent, hoe geringer de kans dat je oververhit raakt. Vooral tijdens kortere, intensieve inspanningen onder zware omstandigheden, zoals een 10K op een warme zomerdag, bestaat het gevaar dat atleten de waarschuwingssignalen van hun brein negeren en te ver gaan. Wie dan voldoende heeft gedronken, loopt wel degelijk minder risico op een hitteshock dan wie relatief uitgedroogd is. Tijdens een 10K bij 25 graden drink je echt niet snel te veel.’

KADER

Adviezen aan lopers, organisatoren en medisch personeel

De International Marathon Medical Directors Association (IMMDA) omarmt op basis van de beschikbare evidence de drink- en interventierichtlijnen die zijn opgesteld door professor Noakes. Maar ze worden alleen volledig toegepast tijdens de Zuid-Afrikaanse Ironman triathlons. Sinds de invoering ervan in 2000 tellen deze races het laagste aantal medische incidenten ter wereld, een indicatie van de impact van overdrinken. Het American College of Sports Medicine, dat meer invloed heeft op de organisatie van loopevenementen dan de IMMDA, legt nog altijd nadruk op ‘preventief drinken’, dus op gezette tijden en ook wanneer er geen dorst is. Dit zijn de adviezen van Noakes:

* Atleten moeten drinken naar dorst en niet meer dan 800 ml/uur.

* Atleten die in elkaar zakken tijdens de inspanning hebben één of meer serieuze medische problemen en moeten acuut worden behandeld door ter zake kundig medisch personeel.

* Veruit de meeste atleten die na de inspanning in elkaar zakken hebben inspanningsgerelateerde posturale hypotensie (EAPH, lage bloeddruk in staande positie). Zij behoeven geen andere behandeling dan plat liggen met het hoofd wat lager dan hart en bekken.

* De meest voorkomende niet cardiovasculaire oorzaak van in elkaar zakken tijdens de inspanning is EAHE. Op kortere afstanden onder hete omstandigheden komt hitteshock echter wel voor. De juiste diagnose wordt gesteld aan de hand van rectale temperatuur en bloednatriumconcentratie. Hitteshock wordt behandeld met ijswater, EAHE met een hypertone zoutoplossing en plasmiddelen. Stress en overtraining maken het risico op EAHE fors groter.

* Ambulancepersoneel moet de neiging om bij een ingestorte atleet routinematig een (isotoon) infuus aan te leggen bewust onderdrukken. Bij EAHE kan dit dodelijk zijn. Het mag alleen als sprake is van vastgestelde hypernatremie (uitdroging, verhoogde bloednatriumconcentratie). Die toestand komt zeer zelden voor, veel minder vaak dan EAHE.

CREDIT

Waterlogged; The Serious Problem of Hydration in Endurance Sports

Timothy Noakes

Human Kinetics

ISBN: 9781450424974

Geplaatst in Uncategorized | 18 reacties

Wijze raad van een ouwe, seksistische cardioloog

 

Afbeelding 4

Bij de research voor het Mosselbaai project kom ik af en toe juweeltjes tegen van ouwe, helaas meestal zelfs lang overleden dokters. Uit de documentatie die deze soldaten in de loopgraven van de dagelijkse klinische praktijk hebben achtergelaten, blijkt glashelder dat het paleowiel vele malen is uitgevonden en met succes is toegepast, lang voor meer contemporaine pioniers als Boyd Eaton en Loren Cordain het in de mainstream literatuur wisten te smokkelen. Cardioloog Blake Donaldson was zo’n zelfdenkende dokter. Ik heb beslag weten te leggen op zijn boek Strong Medicine, een prachtige, zeer politiek incorrecte verzameling klinische waarnemingen. Het boek is overigens dankzij Google (en via HighSteaks) gewoon te downloaden.

Eén passage uit zijn hoofdstuk over overgewicht wil ik jullie niet onthouden. In de eerste plaats omdat de dokter zo fantastisch fout en seksistisch is dat het anno 2016 fors op de lachspieren werkt (wat nooit kwaad kan), in de tweede plaats omdat het zo’n mooi pleidooi is voor Strong Medicine, voor de realiteit dat biologie niet met zich laat spotten en dat de zachte heelmeesters van Voedingscentrum en Wageningen stinkende wonden maken.

Daar gaan we.

Overgewicht is niet simpeler of ingewikkelder dan zo. De basisprincipes zijn van toepassing op alle vormen van overgewicht, maar de details kunnen variëren al naar gelang de mentaliteit van het individu. Laten we eens kijken wat je het best kunt doen met een minder intelligente, emotioneel onstabiele obesitaspatiënt. Het lijkt erop dat je de wetten in dat geval op net zo’n arbitraire manier moet voorschrijven als Mozes deed.

Mevrouw Blankenship was een dikke jonge vrouw met twee kinderen. Gedurende de anamnese barstte ze verscheidene malen in snikken uit. Wat geen goed teken is, want emotionele instabiliteit voorspelt problemen. Ze had kennelijk goede aanleiding om te veronderstellen dat haar man vreemd was gegaan met een hele serie secretaresses, want ze overwoog echtscheiding. Het lichamelijk onderzoek toonde niets meer dan overgewicht en de verwijde pupillen en snelle hartslag die gepaard gaan met een labiel zenuwstelsel.

Met in het achterhoofd het gegeven dat patiënten slechts 5 procent van een mondeling advies begrijpen, bel je als arts je assistente en dicteert een brief. Deze patiënte was er onder de zorg van diverse andere artsen niet in geslaagd ook maar een kilo kwijt te raken. Het was duidelijk dat hier een andere, minder subtiele aanpak op zijn plaats was.

“Beste mevrouw Blankenship,

Uw diagnose luidt:

  • Eenvoudig overgewicht
  • Nervositeit

Uw gewicht van 190 pond is 54 pond te hoog. U mag maximaal 3 pond per week afvallen, anders zit u straks met grote lappen losse huid. Dit betekent 18 weken van gruwelijke inspanning van uw kant. De meeste vrouwen – en u bent één van hen – hebben slechts twee problemen. Behoren ze inclusief kleding 136 of 130 pond te wegen? U bent het type dat 136 pond mag wegen en ik draag u op daar te zijn op de vierde dag van september. Wat betreft uw huwelijk, onthoud u dit: u zult nergens komen in dit leven als u de feiten niet onder ogen ziet.

U bent degene die een man met een spiedend oog trouwde. Een polygame neiging is vermoedelijk erfelijk. Als u na het huwelijk uw knappe uiterlijk verliest, kunt u slechts één ding verwachten. (…) Uw echtgenoot schijnt in vele opzichten een rechtschapen man te zijn. Ik adviseer u uw uiterste best te doen om zijn aandacht te winnen, door weer fysiek aantrekkelijk te worden. Niets anders zal werken. Bedenk wat er gebeurde in de Romeinse Senaat, vele eeuwen geleden. Twee jaar lang debatteerden de senatoren over de vraag of vrouwen überhaupt enige hersenen hadden. Cicero schijnt op een gegeven moment een eind aan de kwestie te hebben gemaakt door te zeggen: ‘Heren, wat doen we met dit vraagstuk? Ik stel voor zover mogelijk weg te blijven van advocaten en aan het werk te gaan.’

U gaat uw eigen overtollige vet verbranden in de vlam van vet vlees. U heeft vijf vijanden, allen even sterk.

  • Geen 30 minuten aan één stuk te wandelen voor het ontbijt, tenzij het regent of sneeuwt
  • Meelproducten
  • Zout
  • Suiker
  • Alcohol

Pak het probleem op de volgende manier aan. Regel uw eigen wekker en zet die zo dat hij afgaat 45 minuten voor uw man opstaat. Sta uzelf acht uur of minder in bed toe. Neem 15 minuten om u aan te kleden voor uw wandeling. Draag in de winter een skipak en indien nodig een lange onderbroek. Wanten zijn beter dan handschoenen. Koop bij een ijzerwarenhandel een politiefluitje en draag dat duidelijk zichtbaar rond uw hals. Draag geen handtas, want u wilt niet worden beroofd. Wandel vervolgens 30 minuten zonder te stoppen. Denk niet dat u de eerste tien minuten gewicht verliest. Het werk gebeurt in de laatste 20 minuten.

Zorg dat u bij thuiskomst 15 minuten kunt besteden aan het bereiden van het ontbijt van uw man en kinderen. Ontbijt daarna zelf.

Gedurende 18 weken en 378 opeenvolgende maaltijden eet u niets anders dan twee dubbele ribstukken lamsvlees en een demitasse van zwarte koffie zonder melk en suiker. Drink tussen de maaltijden door een afgemeten hoeveelheid water. Drie glazen tussen ontbijt en lunch en drie glazen tussen lunch en avondeten. Het laatste glas drinkt u uiterlijk om vijf uur.

Als u niet thuis luncht, bak dan ‘s morgen vier in plaats van twee ribstukken. Laat er twee koud worden en verpak ze in aluminiumfolie. Eet 18 weken lang niet in een restaurant. Als u na het eten van twee stukken vlees nog honger heeft, kunt u net zo veel extra vlees nemen als u wilt. Maar u mag geen extra koffie. Koffie bevat een minieme hoeveelheid zetmeel. En elke vorm van zetmeel maakt het in uw huidige toestand lastig om gewicht te verliezen. Uw voorouders leefden van een miljoen tot achtduizend jaar geleden uitsluitend van het vetste vlees dat ze konden bemachtigen en water. Zij leven voort in u en u dient hetzelfde te doen als zij deden.

U ontlast wellicht slechts één of twee keer in de eerste week, drie keer in de tweede week en dagelijks in de derde week. Doe hier niets aan, behalve extra vet bij het vlees eten als u na drie weken nog niet dagelijks ontlast.

Ik wil u op het spreekuur zien na de eerste drie dagen en vervolgens iedere veertien dagen tot uw gewicht is genormaliseerd. De reden dat ik u zo vaak wil zien is dat de meeste mensen zoals u op de vijftiende dag eten beginnen te stelen, tenzij ze worden gecontroleerd door een arts.

Doe uw best om geen domme fouten te maken. Als het braden van vlees voor ontbijt u misselijk maakt, knijp dan gewoon uw neus dicht. Mocht u toch een maal missen, eet dan in elk geval het daaropvolgende maal.

Uw meel en suiker dagen zijn voorbij voor de rest van uw leven. Als u één specifiek iets de schuld moet geven van uw zorgen en problemen, is het die snee toast die u altijd bij het ontbijt at. Geen brood meer voor u en dat betekent geen enkele soort brood. Hoe donkerder het is, hoe slechter het lijkt te zijn. Biscuit voor diabeten, crackers, volkoren brood, gebak, Ry Krisp, wafels, pannenkoeken, sandwiches, de meeste dressings (meel), instant soepen (meel), cakes en taartbodems behoren biologisch gezien allemaal tot dezelfde categorie. Ze moeten uit uw leven verdwijnen, voor eens en altijd.

Laat we eens kijken hoeveel ballen u heeft!”

De arbitraire aard van deze brief behoeft enige uitleg. Ze was van het emotionele type. De orders die ik haar gaf dienden exact te zijn, zonder enige ruimte voor misverstanden.

Het was een nogal harde manier om zo’n lief meisje aan te pakken. Maar het werkte. Het gezin is gelukkig, tegenwoordig. Toen ze het gewicht van 136 pond bereikte wist ze haar man zelfs zo ver te krijgen om in een winkel op Fifth Avenue een nieuwe garderobe voor haar te kopen. Ze behield haar gewicht moeiteloos toen ze later ook wat fruit aan haar simpele maaltijd toevoegde.

Vrouwen doen er goed aan geen frontale aanval op hun man in te zetten. Bijna iedere goede man zal zijn nekharen overeind voelen springen als een vrouw tot een frontale aanval overgaat. Vrouwen worden verondersteld hun doelen te bereiken met diplomatie en met charme als dat niet werkt.

Ha, ha, ha, ha, ha.

Dit boek verscheen in 1962 en biedt een fascinerend kijkje in Donaldsons praktijk in het New York van de eerste helft van de vorige eeuw. In essentie laat hij zien hoe een nogal streng paleodieet – hij begint meestal met vlees/vis en water en heeft een opmerkelijke, mogelijk terechte argwaan voor groenten – spectaculaire resultaten geeft bij overgewicht, hartproblemen, artritis, diabetes, slagaderverkalking, hoge bloeddruk, galstenen, allergieën, maagklachten, huidklachten, spataderen, et cetera. Mits patiënten het een kans geven, natuurlijk. Wat me aanspreekt, is zijn directheid. Dan doel ik niet op de onzin die hij spuit over de vermeende plichten van de vrouw en wensen van de man, maar op de botte, in your face manier waarop hij duidelijk maakt dat je de biologie als nietige mens niet af kunt snijden. Dat je niet verwonderd moet zijn wanneer een soortvreemde voeding vanaf de middelbare leeftijd met een beetje pech problemen geeft die het leven er niet vrolijker op maken. Gerda Feunekes van het Voedingscentrum zei onlangs in het vakblad voor journalisten zonder te worden bevraagd dat wetenschap gelijk is aan consensus. Verder naast het doel kon zij niet schieten. De klinische praktijk, ‘afwijkende’ maar consistente waarnemingen, kleine studies met enorme effecten en de n=1 bank informeren ons beter dan de ‘beste’ mega trials, zoals ook Professor Noakes geregeld zegt. Het publiek – journalisten natuurlijk uitgezonderd – begint dit in te zien. Wen er maar aan, mevrouw Feunekes.

De overkoepelende hypothese die uit mijn hinkelende research en communicatie met deskundigen opdoemt, ziet er ongeveer als volgt uit.

  1. Aan alle moderne ziekten ligt een haperende energiehuishouding ten grondslag, in de vorm van te weinig of slecht functionerende mitochondrieën.

2. Deze mitochondriële disfunctie zit upstream van alle symptomen en pathologie die we in verband brengen met Metabool Syndroom, inclusief hyperinsulinemie en afwijkende Kraft patronen. Dit zijn markers van het eigenlijke probleem.

3. De mitochondriële disfunctie wordt op zijn beurt veroorzaakt door een milde metabole endotoxemie.

4. De metabole endotoxemie is weer het resultaat van overbemesting van de flora in de dunne darm. Als je pech hebt ook door de universeel als gezond omschreven wateroplosbare vezels. Ik vrees dat een subgroep van de populatie niet goed tegen groenten kan. Fruit is minder problematisch, omdat het vezelarmer is en omdat de suikers erin onmiddellijk aan de circulatie worden afgegeven en nauwelijks als meststof voor een zieke flora kunnen dienen. Resistant starch? O my. Eigenlijk zou ik die post moeten weghalen. Itsthewooo – die ik inderdaad ook ervaar als een sessie van Metallica, Aldert – lijkt in deze gelijk te krijgen. Geen goed idee. De opwinding was voorbarig en het paleoperspectief had dat kunnen voorspellen, wat Willem overigens ook deed🙂 .

Oude onderzoeken maken melding van een zo goed als steriele dunne darm als ‘de normaal’. Tegenwoordig worden deze bepalingen in twijfel getrokken, omdat vrijwel niemand een steriele dunne darm heeft. Ik denk dat de bepalingen van toen correct waren, maar dat in de huidige populatie vrijwel geen individuen meer voorkomen die geen overbemeste en dus onnatuurlijk omvangrijke (lees toxische) dunnedarmflora hebben.

Vlees/vis en water is voor veel mensen zeer waarschijnlijk een snelle weg uit de metabole endotoxemie en naar optimale gezondheid, maar natuurlijk meestal ook een brug te ver. Onze perceptie verdraagt dit idee niet.

Nogmaals super bedankt voor alle reacties op het voor peiling gepubliceerde concept hoofdstuk. Ik heb ze allemaal nauwkeurig gelezen en zal er mijn voordeel mee doen. Zoals ik de reacties al zei, had de uitgever respect voor mijn beslissing alleen verder te gaan. Het voelde enigszins weird om zo’n kans te laten gaan, maar het is de enige manier. Moedig voorwaartsch!

Ik wens iedereen een fijne grilavond. En vergeet AHS 2016 niet!

Geplaatst in Uncategorized | 550 reacties

Concept hoofdstuk in verband met dilemma

Hmmmm, wat is wijsheid...

Hmmmm, wat is wijsheid…

Goeiesmorgens.

Hallo, volluk! Is daar iemand?

Long time no see (zonder n, met dank aan Adriaan voor de correctie)🙂 .

Ik doe (weer eens) een vreemde zet. Ik heb wat input nodig. Zoals de meesten van de zes lezers weten ben ik bezig met het maken van een boek over ‘paleo’, whatever that may be. Dat vordert gestaag, maar er doemt een dilemma op.

Even wat achtergrond. Nadat ik had besloten dit project op te pakken, sloot ik een principe overeenkomst met een min of meer bevriende, kleine uitgever. Al vrij snel kwam ik er achter dat hij allergisch is voor ‘moeilijke woorden’ en vooral een toegankelijk, tamelijk kretologisch how to Paleo boek wilde hebben, met veel paleobroodbakmuts recepten (credit: Cave-a) erin. Dat was en is niet mijn insteek en dus verbrak ik die principedeal.

Vastbesloten mijn eigen race te lopen en er een eigen risicoproject van te maken, werd ik out of the blue benaderd door een heel gerenommeerde, heel mooie, heel prestigieuze et cetera uitgeverij. Zij willen ‘iets met dit onderwerp’, hoorden mij uitgebreid aan en garandeerden mij dat ik het boek mocht schrijven voor een hoger opgeleid, geïnteresseerd publiek. Er zitten flink wat (vooral organisatorische) voordelen aan het werken met een grote uitgever, dus ik sloot een principe deal. Zonder voorschot, want dat heb ik niet nodig en ik bind me altijd zo weinig mogelijk.

Vanuit mijn achtergrond bij kranten en tijdschriften was ik enigszins achterdochtig. Mijn hele journalistieke leven heb ik moeten versimpelen en debiliseren, want redacteuren snappen per definitie niets van biologie en gaan er van uit dat ‘het publiek’ er ‘dus’ nog minder van snapt. Herhaaldelijk vroeg ik om feedback op pittige hoofdstukken, maar die bleef uit, want er was nog geen redacteur aangewezen die mijn project zou begeleiden.

Enkele dagen geleden kwam er echter een mail van de onlangs aangewezen redactrice. “Er staan wel aardige dingen in de teksten die je tot nu toe hebt aangeleverd, maar voor mijn gevoel is het nu te veel een woud van én moeilijke woorden én moeilijke theorieën voor een ‘gewone’, algemene lezer, zeg maar een doorsnee krantenlezer,” was kort samengevat haar commentaar. Ofwel, het moet simpeler. Veel simpeler. Zo simpel dat er niks van overblijft, vrees ik. Om de vaak boude beweringen te kunnen onderbouwen, moet ik hier en daar de diepte in, moet ik hier en daar een flinke portie fysiologie en biochemie meenemen, vind ik. Ik probeer dat natuurlijk zo pijnloos mogelijk te doen, maar ik kan het niet weglaten. Wat deze uitgever dus, nu puntje bij paaltje komt, feitelijk wel van me verlangt.

In de flauwe 1 aprilgrap laatst voorvoelde ik dit al en het was ook niet raar dat velen van jullie er in trapten. De vraag is: ben ik gek en heeft deze redactrice helemaal gelijk, of klopt mijn gevoel dat de geïnteresseerde lezer juist graag die diepgang wil? Ga ik te ver en is het verstandiger compleet op de knieën te gaan of doe ik mijn publiek daarmee juist geen dienst?

Ik leg de vraag aan jullie voor. Ik geef 1 concept hoofdstuk weg (een hoofdstuk waar de redactrice extra veel bezwaren tegen had) en zou graag willen horen of het jullie pijngrens onacceptabel ver overschrijdt, of dat je het (min of meer) snapt en/of de complexiteit juist waardeert. Mede op basis van die feedback besluit of ik zonder water bij de wijn te doen doorga als solo project of dat ik de knieval doe. Ik weet dat de meesten van jullie voorkennis hebben, maar ik schrijf het ook voor mensen die tenminste enige interesse voor de materie hebben. Mijn eigen visie is dat ik liever 50 exemplaren verkoop van een boek waar ik achter sta, dan 50.000 van een verdund aftreksel.

Dank alvast! Ik vermoed dat er vooral reacties over K2 gaan binnenkomen🙂 . Prima, maar het gaat me dus vooral even om jullie gevoel over de moeilijkheidsgraad/leesbaarheid.

CONCEPT CONCEPT CONCEPT CONCEPT CONCEPT CONCEPT CONCEPT CONCEPT

Paleo en de missende kaasfactor

Een genegeerde vitamine houdt je skelet sterk en voorkomt botvorming in je slagaderen

In het vorige hoofdstuk zagen we dat inname van calciumsupplementen slechts een bescheiden effect op de botdichtheid blijkt te hebben, terwijl het risico op hartinfarcten erdoor stijgt. Maar is het alleen de extra calcium? Vermoedelijk toch niet. Want hoewel je met een paleolithische voeding minder calcium binnenkrijgt dan met een voeding volgens de Schijf van Vijf, staat er op die schijf één heel calciumrijk neolithisch voedingsmiddel dat een ronduit spectaculaire bescherming tegen hart- en vaatziekten lijkt te bieden: Goudse kaas.

            Je leest het goed. In een bevolking die zo’n 70% van haar energie-inname dekt met voedingsmiddelen die in principe vreemd zijn voor ons genoom, is het geregeld eten van Goudse kaas geassocieerd met een verbazingwekkend gereduceerde sterfte in het algemeen en aan hartinfarcten en beroertes in het bijzonder. We weten dit, hoe kan het ook anders, dankzij onderzoek van Nederlandse wetenschappers. In de internationaal beroemde Rotterdam Study onder 4600 Rotterdamse mannen van 55 en ouder vonden zij dat fervente kaaseters 52% minder risico hadden op verkalking van de aorta, 41% minder risico op coronaire hartziekte, 51% minder risico op doodgaan aan coronaire hartziekte en 26% minder risico op doodgaan aan wat dan ook. Later werden deze uitkomsten bevestigd in de enorme PROSPECT-EPIC-studie met 16.000 deelnemers.

            Ik ben opzettelijk niet helemaal eerlijk. De onderzoekers keken niet direct naar kaasconsumptie – al documenteerden ze die wel – maar naar een factor die de meeste Nederlanders eigenlijk alleen in noemenswaardige hoeveelheden binnen krijgen wanneer ze vaak kaas en dan vooral Goudse kaas eten: menaquinon, ofwel vitamine K2. Ruim tachtig jaar na zijn ontdekking vliegt hij nog altijd grotendeels onder de radar.

Begin jaren ’30 van de vorige eeuw deed de Deense biochemicus Henrik Dam onderzoek naar de werking van cholesterol in een kippenmodel. Voor een van zijn onderzoeken gaf hij zijn kippen een extreem vetarme voeding. Al snel kreeg een deel van de dieren spontaan interne bloedingen. Die bleken te ontstaan doordat hun bloed om de een of andere reden niet meer normaal stolde. Dam ontdekte dat hij het stollingsprobleem volledig kon genezen door de zieke proefdieren specifieke voedingsmiddelen te geven. Met name groene groenten en lever hielpen snel, dat wil zeggen binnen uren, mits er ook wat vet in de voeding zat (lever bevat uiteraard van zichzelf vet). Dam krabde zich op zijn achterhoofd, want het probleem was niet te verklaren met een op dat moment bekend vitaminegebrek. Hoewel Dam er niet in slaagde de verantwoordelijke factor te isoleren, wist hij dat hij moest bestaan en hij noemde hem vitamine K, naar het Deense woord voor bloedstolling ‘koagulation’. Bijna tien jaar later lukte het de Amerikaan Edward Doisy wel om het mysterieuze molecuul te isoleren en zijn precieze structuur weer te geven. Phylloquinon werd de technische naam ervan (afgeleid van het Griekse woord voor ‘blad’) en in 1943 mochten Dam en Doisy naar Stockholm om gezamenlijk een Nobelprijs in ontvangst te nemen voor hun belangrijke ontdekking. Vitamine K activeert eiwitten die noodzakelijk zijn om het ingewikkelde proces van bloedstolling in gang te zetten, zoals protrombine en de factoren VII, IX en X. Ouderwetse stollingsremmers als warfarine werken doordat ze de normale reclycling van vitamine K blokkeren, waardoor er op celniveau een relatief tekort ontstaat.

            Dam en Doisy ontdekten vrijwel onmiddellijk dat er ook nog een andere vorm van vitamine K is. Ze noemden die menaquinon of K2, maar ze namen voetstoots aan dat deze tweede vorm simpelweg een betekenisloze variant van K1 was, een soort bastaard. K2 bleek ondanks de sterke gelijkenis met K1 immers vrijwel geen rol te spelen in de bloedstolling. Henrik Dam moet een goede intuïtie hebben gehad, want tijdens zijn toespraak bij de uitreiking van de Nobelprijs zei hij dat hij even had gedacht dat vitamine K een rol speelde in andere belangrijke lichaamsprocessen, zoals de bothomeostase. Bijna gekscherend vertelde hij dat hij op grond van waarnemingen in proefdieren had gespeeld met het frivole idee dat de vitamine iets van doen had met de natuurlijke bescherming tegen cariës, maar dat hij bijtijds weer met beide voeten op de grond was gekomen.

            Henrik Dam was gloeiend heet. In 1975 ontdekten wetenschappers van Harvard Medical School het eiwit osteocalcine. Het wordt gemaakt in de botten en heeft ondermeer tot taak calcium uit de bloedcirculatie de botten en het gebit in te trekken en daar in te bouwen. Nog 22 jaar later stelden wetenschappers vast dat dit cruciale eiwit zijn werk alleen kan doen nadat het is geactiveerd door een zogenoemde co-factor. De identiteit van die factor? Menaquinon. Vitamine K2. De onbeduidende variant van ‘stollingsvitamine’ K bleek er vrijwel in zijn eentje voor te zorgen dat de calcium uit onze voeding wordt ingebouwd in het skelet. Osteoporose is primair een gevolg van te weinig K2 op de plekken waar het moet zijn. Gaandeweg werden meer eiwitten met een hormoonachtige werking gevonden die pas actief worden als ze worden aangetikt – gecarboxyleerd is de technische term – door vitamine K2. Hoewel het nauwelijks aandacht krijgt, heeft met name de groep van de Maastrichtse biochemicus Cees Vermeer onomstotelijk bewezen dat de slagaderboom niet verkalkt wanneer er voldoende vitamine K2 circuleert. Bovendien slinken bestaande atherosclerotische plaques na toediening van K2. Inmiddels is zelfs aangetoond dat het micronutriënt zogenoemde harde eindpunten, dat wil zeggen hartinfarcten en beroerten, sterk reduceert. De reden dat je hier mogelijk niet van gehoord hebt, is complex. Als gezegd is Goudse kaas in de Nederlandse voeding verreweg de grootste leverancier van K2. De topdeskundigen in dit veld, Cees Vermeer incluis, willen niet aansporen tot royale kaasconsumptie, omdat ze in elk geval naar buiten toe nog aanhangers zijn van de terrein verliezende hypothese dat inname van verzadigd vet een rol speelt bij het ontstaan van hart- en vaatziekten. Ten tweede is vitamine K2 niet te patenteren. Vermeers bedrijf VitaK, Wageningen Universiteit en andere onderzoeksinstellingen werken samen met de zuivelindustrie naarstig aan K2-rijke functional foods die nauwelijks verzadigd vet bevatten en waarvoor je een deftiger bedrag kunt vragen dan voor de ordinaire Goudse kaas die we al 200 jaar hebben.

            In het kielzog van Vermeer ontdekten onderzoekers over de hele wereld dat tal van andere ziekten direct of indirect het gevolg zijn van K2-deficiëntie. Een paar ervan zullen we straks nader toelichten. Om de werking van K2 en de noodzaak ervan op weefselniveau te begrijpen, moeten we ons eerst een klein beetje verdiepen in het skelet. Veel mensen zien botten als min of meer dode of tenminste inerte onderdelen van het frame dat ons vorm geeft, onze organen beschermt en ons in staat stelt te bewegen. Niets is minder waar. Het skelet is vooral ook een hoog actief endocrien orgaan, dat voortdurend intensief hormonaal overleg voert met de rest van het lichaam. De osteocalcine die het maakt, speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de productie van insuline in de pancreas.

Bot wordt constant afgebroken en weer opgebouwd, zodat het sterk en veerkrachtig blijft. Deze bothomeostase is een precies georkestreerd samenspel tussen twee celtypen: osteoblasten en osteoclasten. De blasten zorgen voor opbouw van de botmatrix en de depositie van calcium, de clasten breken de boel af voordat het aftakelt en aan functie verliest. Dit proces staat grofweg onder leiding van twee eiwitten. Het eerder genoemde osteocalcine, dat de blasten aanzet tot botopbouw en inbouw van calcium en Matrix gla Protein (MGP), dat de clasten aanspoort tot afbraak van bot en afvoer van calcium. Deze sleuteleiwitten worden gevormd onder invloed van vitamine D en A, maar kunnen pas actief worden nadat ze zijn gecarboxyleerd door vitamine K2. Als er onvoldoende K2 voorhanden is, zijn osteocalcine en MGP tandeloos en loopt de bothomeostase in het honderd, met als resultaat osteoporose ofwel botontkalking. Nog een kleine opmerking daarbij, de groep van Cees Vermeer heeft vastgesteld dat botdichtheid niet de beste parameter voor botgezondheid is. Het risico op fracturen wordt veel sterker bepaald door de vitamine K2-status – dus door de mate waarin osteocalcine en MGP worden geactiveerd – dan door de hoeveelheid kalk die de botmatrix bevat.

            Als gezegd, de coördinerende functie van K2 blijft niet beperkt tot de bothomeostase. Osteoporose is vrij letterlijk een spiegelfenomeen van atherosclerose, een belangrijk onderliggend probleem bij de meest voorkomende hart- en vaatziekten. MGP blijkt ook elders in het lichaam dienst te doen als calciumstofzuiger en tegenhanger van osteocalcine. Het eiwit is onmisbaar in de slagaders. Als er genoeg K2 beschikbaar is, wordt MGP voldoende frequent geactiveerd om de slagaders vrij van calciumrijke atherosclerotische plaques te houden. Is er onvoldoende K2, dan gebeurt er iets heel geks. De plaques in de slagaderwand bestaan niet uit dood, willekeurig afgezet materiaal, ze bevatten ondermeer volledig gevormd botweefsel, compleet met kleine beetjes beenmerg. Bij gebrek aan K2 en dus aan geactiveerd MGP slaan op osteoblasten en osteoclasten lijkende cellen in de slagaderwand op tilt en beginnen er botweefsel te bouwen. Atherosclerose, vroeger toepasselijk slagaderverkalking genoemd, is in wezen ectopische ossificatie; botvorming op de verkeerde plek, als gevolg van een verkeerd, of liever gezegd ontbrekend signaal. Wetenschappers gebruiken de concentratie niet door K2 aangetikt MGP – ongecarboxyleerde MGP – in experimentele settings als betrouwbare bloedmarker voor de mate van slagaderverkalking.

Dit creepy proces is, net als osteoporose, omkeerbaar. Door proefdieren met ernstige slagaderverkalking extra K2 te geven, neemt de calciumconcentratie in de plaques dankzij het werk van het geactiveerde MGP in 6 weken tijd met 37% af en worden de slagaders weer soepel. Niet lang geleden stelden Vermeer en collega’s bij mensen hetzelfde vast. Overigens werkt K2 via meer kanalen aan het gezond houden van de slagaderen. Growth arrest-specific gene 6 (Gas6) speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij het opruimen van overtollige gladde spiercellen in de slagaderwand. De verdikking en verstijving van de slagaderen die vaak een eerste teken is van slagaderproblemen, is vooral het gevolg van een pathologische ophoping van gladde spiercellen. K2 activeert Gas6. Een factor met de prozaïsche naam Protein S helpt het immuunsysteem na een aanval op de slagaderwand om de boel op een gecontroleerde manier op te ruimen, zodat er geen overdreven ontstekingsproces op het delicate weefsel wordt losgelaten. Wie of wat activeert Protein S? Inderdaad, K2. En zo zouden we nog een poosje kunnen doorgaan. Zonder voldoende K2 geen gezond en soepel vaatstelsel.

Zonder K2 ook geen gezonde bloedsuikerhuishouding. De osteocalcine die in het skelet wordt gevormd onder invloed van vitamine D en A, blijkt zoals al aangestipt een belangrijke boodschapperfunctie te vervullen in de alvleesklier. De door K2 geactiveerde vorm is nodig om de betacellen in de eilandjes van Langerhans op het juiste moment de juiste hoeveelheid insuline te laten produceren en afscheiden. Een uit de bocht gevlogen insulinesignaal is een centraal thema in dit boek, dus ik zal er hier niet te diep op ingaan. Osteocalcine is ook verantwoordelijk voor het regelen van de insulinegevoeligheid van verschillende weefsels. K2 is de dirigent. Komt hij zelden of nooit opdagen, dan speelt het orkest Metabool Syndroom en diabetes type 2.

            Het onderzoek naar K2 is nog betrekkelijk jong. Ik zou dit hele boek kunnen vullen met de spannende bevindingen ervan, dus laat ik me beperken tot het opsommen van de nog niet genoemde ziekten, aandoeningen en pathologische processen waarbij K2-deficiëntie bewezen een grote of zelfs causale rol speelt: enkele vormen van kanker (waaronder borst-, prostaat- en longkanker), cariës, parodontitis, vorming van tandsteen, peesproblemen, artrose, afbraak van de isolerende meyeline-laag rond zenuwen, ziekte van Crohn, nierfalen, spataderen, rimpelvorming, verkalking van hartkleppen en scheve tanden. In de baarmoeder en gedurende de jeugd reguleert K2 de vorming van het gezicht en de kaak. Is er een tekort, dan blijft de kaak te klein voor alle tanden en kiezen, waardoor die scheef doorkomen en de verstandskiezen meestal moeten worden verwijderd. Bijna alle jonge Nederlanders hebben tegenwoordig prachtige gebitten, maar dit is voor een groot deel te danken aan onze fantastische orthodontologische zorg.

Waar komt vitamine K2 vandaan? Dit is een cruciale vraag vanuit het evolutionaire perspectief. Grazers maken relatief grote hoeveelheden aan wanneer ze doen waarvoor ze zijn geëvolueerd: gras eten. Het chlorofyl in gras is rijk aan phylloquinon (K1) en na opname wordt een deel van de phylloquinon omgezet in menaquinon (K2). Waar die omzetting plaats vindt zullen we zo bekijken. Iets dergelijks gebeurt bij gevogelte dat grassprietjes en insecten pikt, bij insecten zelf en bij vissen en schelpdieren die direct of indirect van plankton leven. Deze menaquinon zit dus in de weefsels van deze dieren en komt als wij hen of hun eieren eten ook in ons.

Ga even koffie halen, want ik voeg noodgedwongen nog een laagje complexiteit toe. K2 komt in meerdere vormen. De belangrijkste zijn MK4 en de zogenoemde langketenige MK’s, zoals MK7. Het cijfer staat voor het aantal onverzadigde koolstof-prenyl eenheden in de staart. De variant die in dieren wordt gevormd uit K1 is MK4. Van MK4 moet je als mens behoorlijk veel (milligrammen) binnenkrijgen voor het in staat is de diverse eiwitten die we hebben genoemd te activeren. De langketenige MK’s zijn daarentegen het product van fermentatieprocessen. Bepaalde bacteriën maken ze aan, waardoor met name sommige gefermenteerde voedingsmiddelen er erg rijk aan zijn. We noemden al Goudse kaas. Of de melk die ervoor wordt gebruikt nu van grasgevoerde koeien komt of niet, er zit veel K2 in (met name MK8 en MK9), omdat de bacteriën die nodig zijn om de kaas te maken per definitie menaquinon produceren. Het voedingsmiddel met de hoogste concentratie K2, in de vorm van MK7, is natto, een gefermenteerd sojaproduct dat populair is in bepaalde delen van Japan. De bacterie Bacillus subtilis natto geeft natto een K2-concentratie van wel 1100 microgram per 100 gram.

Alle vormen van vitamine K gaan eerst naar de lever. K1 en K2 MK4 blijven daar, tenzij de lever verzadigd raakt. In dat laatste geval gaan ze op transport, waarover zo meteen meer. De langketenige vormen van K2 worden daarentegen onmiddellijk vrijwel volledig verpakt in het LDL. Met het LDL worden ze door het hele lichaam getransporteerd en opgenomen via de LDL-receptoren op de cellen. Als gevolg hiervan heb je van MK4 zo’n 45 milligram per dag nodig om alle K2-afhankelijke eiwitten te activeren, terwijl je hiervoor van bijvoorbeeld MK7 slechts 120 microgram nodig hebt. Daar komt bij dat MK4 binnen een paar uur weer weg is, terwijl MK7 en de overige lange MK’s dankzij de binding aan LDL zelfs na 4 dagen nog werkzaam zijn. Giftigheid is er volgens Vermeer geen issue. Als de K2-afhankelijke eiwitten zijn geactiveerd, doet K2 verder niets. Precies hetzelfde geldt overigens voor K1. Het idee dat ‘te veel’ K1 bij gezonde mensen tot een te hoge stollingsneiging van het bloed zou leiden, is bakerpraat.

 

De vreselijke dingen die gebeuren wanneer er niet voldoende K2 voorhanden is, vertellen ons dat het op celniveau aanwezig moet zijn als we gezond willen blijven. Tegenwoordig is deficiëntie wijd verbreid blijkt uit onderzoek, maar dat kan niet altijd zo geweest zijn. Jager/verzamelaars leden en lijden niet aan de ziekten die het onvermijdelijke gevolg zijn van vitamine K2 deficiëntie. Staffan Lindeberg trof op Kitava een bevolking die volledig gevrijwaard is van welk vaatprobleem dan ook. Het is aanlokkelijk om aan te nemen dat we zijn geëvolueerd in een omgeving waarin voorgevormde K2 zo rijkelijk aanwezig was dat we het niet meer zelf kunnen maken en er dus van afhankelijk zijn geworden. Maar Kitava logenstraft dat idee. Van kaas of natto hebben de mensen daar nog nooit gehoord en hun voeding bevat verder geen producten die bijzonder veel K2 bevatten.

            Dus? Dus kunnen mensen niet intrinsiek afhankelijk zijn van voorgevormde K2 en al helemaal niet van hoge doses. En dat klopt met de research. In populaire publicaties over dit onderwerp lees je voortdurend dat dieren en met name koeien hun K2 aanmaken in hun darm. Maar dit is slechts ten dele waar. De MK4 die je aantreft in bijvoorbeeld het melkvet van een grasgevoerde koe is niet geproduceerd door haar darmflora, want bacteriën kunnen nauwelijks MK4 maken. De koeien maken de MK4 hoofdzakelijk in hun weefsels. Van vitamine K1. En precies zoveel als nodig is om terplekke voldoende K2-afhankelijke eiwitten te activeren.

            Onderzoeker Henk Thijssen, ook een pionier van de Maastrichtse vitamine K groep, toonde rond de millenniumwisseling aan dat muizen en mensen hetzelfde doen. Hij liet in een aantal elegante experimenten zien dat vitamine K1 zonder dat het in de darm wordt bewerkt, als vitamine K2 (MK4) opduikt in diverse weefsels, met name in de hersenen, nieren, pancreas en speekselklieren. Vitamine K1 wordt dus lokaal naar behoefte geconverteerd in K2 MK4, de vorm die alle zoogdieren op weefselniveau gebruiken om hun K2-afhankelijke eiwitten te activeren. Toch gebeurt dat bij een groot deel van de westerse bevolking in onvoldoende mate. Anders zouden genoemde ziekten niet optreden. Hoe kan dat? Een mogelijkheid is dat de ADH voor vitamine K1 (ADH 90-120 microgram per dag) veel te laag is. Deze minimum inname is ooit vastgesteld op basis van de hoeveelheid die nodig is om stollingsproblemen te voorkomen. Uit analyses van onder anderen Loren Cordain blijkt dat jager/verzamelaars gemiddeld wel 1000 microgram K1 binnenkrijgen. Dat lijkt een hoop, maar met een paar flinke happen boerenkool zit je al aan die dosis. In de eerder genoemde epidemiologische studies werd geen beschermend effect gevonden voor de inname van vitamine K1. Zou dat komen doordat mensen tegenwoordig gewoon ontzettend weinig groenten, fruit en orgaanvlees eten, de rijkste bronnen van vitamine K1? In de Rotterdam Study was de gemiddelde inname van K1 200 microgram per dag. Dat is relatief veel, maar bij lange na niet genoeg om er een effect van te mogen verwachten. De groep van Cees Vermeer toonde aan dat 1 gram (1000 microgram) K1 per dag wel voldoende is om alle K2-afhankelijke factoren te activeren. Zodra de lever is verzadigd, gaat het surplus aan K1 het lichaam in, om daar naar behoefte te worden geconverteerd tot K2 MK4. Vermeer zelf noemt het ‘verontrustend’ dat de inname van vitamine K1 in de laatste 150 jaar dramatisch is gedaald.

            Een andere mogelijkheid is dat de bacteriën in onze darm onder evolutionair ‘normale’ omstandigheden relatief hoge concentraties van de langketenige MK’s aanmaken. Het is een plausibel idee, maar strookt helaas niet met de waarnemingen. Alle onderzochte diersoorten, inclusief apen, blijken in hun natuurlijke habitat betrekkelijk weinig langketenige MK’s aan te maken. Ook ben hen is op weefselniveau vooral het uit vitamine K1 gemaakte K2 MK4 actief.

            Rest nog één hypothese, namelijk dat een neolithische voeding een element bevat dat de werking van K1 en K2, of de conversie van K1 naar K2 in de target weefsels, dwarsboomt. Eén zo’n factor is al gevonden. Ontzettend veel gemaksvoedsel, van bakwaren en instant soepen tot gefrituurde snacks, bevat biologisch relevante hoeveelheden dihydrophylloquinon (DHP). Deze bastaardvorm van vitamine K1 ontstaat wanneer zaadoliën worden gehard of langdurig verhit. Bloedwaarden ervan worden in epidemiologische onderzoeken gebruikt om te kijken of mensen min of meer eerlijk invullen wat ze eten. Hoe meer DHP in het bloed, hoe meer ‘rommel’ iemand eet. DHP interfereert met de werking van K2. Bovendien bevatten producten met DHP per definitie transvetten, die op hun eigen manier slecht zijn voor zowel de botten als voor hart- en bloedvaten. Niet zozeer omdat ze het LDL verhogen, maar omdat ze zelfs in minimale hoeveelheden in staat zijn calcium uit het skelet te lokken en in de slagaderwanden te deponeren.

            Ik denk dat DHP slechts een kleine jongen is. Gezien de epidemische proporties van aan vitamine K gebrek te relateren aandoeningen en hun lange geschiedenis verwacht ik dat een heel grote boef elke dag opnieuw op klaarlichte dag onopgemerkt zijn gang gaat. In hoofdstuk X zagen we dat olifanten in de Serengeti snel uitgebreide slagaderverkalking ontwikkelen als ze worden bijgevoerd met brood. Henrik Dam gaf de kippen die de onverwachte bloedingen kregen een voeding met vrijwel uitsluitend graan. Hoewel tarwe een redelijke hoeveelheid vitamine K1 bevat, was toevoeging van vet (nogmaals, vitamine K is vetoplosbaar) niet voldoende om het probleem op te heffen. Pas als hij ze ander eten gaf, en daarmee het aandeel tarwe verminderde, keerde het tij.

            Okay, opmerkelijke waarnemingen, maar bij lange na geen bewijs. Toch is er meer. Het eerder genoemde Wheat Germ Agglutinin (WGA) in tarwe blijkt net als bepaalde bestanddelen in kidneybonen een soortgelijke werking als warfarine te hebben. Het heeft potente anti-stollingscapaciteiten. Het belet vitamine K de voor stolling noodzakelijke eiwitten te activeren, althans in de reageerbuis en in proefdieren. Is het erg vergezocht om te veronderstellen dat WGA, dat zoals we zagen bij mensen al in nanogrammen biologisch actief is, ook kan voorkomen dat K2 andere target eiwitten als osteocalcine en MGP activeert?

De grote vraag die de lezer van dit boek zich met mij zal stellen is of een op paleolithische leest geschoeid menu de K2-afhankelijke eiwitten als osteocalcine en MGP nu wel of niet voldoende activeert. Ontbreekt de kaasfactor of ontbreekt hij niet? De consistente waarneming dat veel van de met K2-gebrek geassocieerde pathologie, inclusief een belangrijke parameter voor vaatstijfheid, vermindert op een fatsoenlijk paleodieet zonder voedingssupplementen, suggereert van niet. Voor wie meent dat externe bronnen van K2 wel noodzakelijk zijn, of liever het zekere voor het onzekere neemt, is er goed nieuws uit Mosselbaai. Het lijkt het erop dat de grote calciumverdeler vooral in een kustlandschap ruimschoots voorradig is, al is nooit geverifieerd of coastal dwellers een betere K2-status hebben dan landrotten. Met name viskuit is volgens preliminaire analyses rijk aan voorgevormde K2. In veel culturen gelden viseitjes als een absolute delicatesse en belangrijk eten voor zwangere vrouwen.

De recente wetenschap rond vitamine K2 zet ook de inzichten rond vitamine D in een compleet ander daglicht. Het zal je niet zijn ontgaan dat veel leken en ook enkele artsen en wetenschappers de afgelopen jaren zijn overgegaan op het promoten van hoge doses vitamine D3. Het argument hiervoor klinkt verleidelijk logisch. Zonlicht zet onderhuids cholesterol om in cholecalciferol, ofwel vitamine D3. Wie in de zomer rond het middaguur een half uurtje in zijn blote bast buiten loopt, maakt wel 10.000 Internationale Eenheden aan, een veelvoud van de Aanbevolen Dagelijkse Hoeveelheid. Mensen evolueerden onder zon, ‘dus’ kunnen we buiten het seizoen, als de zon te laag staat om noemenswaardige hoeveelheden cholecalciferol te produceren, maar beter kwistig bij slikken. 5000 IU per dag wordt door velen tegenwoordig als volmaakt onschuldig en vermoedelijk gunstig gezien. Er zitten een paar stevige maren aan die redenering. In de eerste plaats is de productie van vitamine D onder invloed van UV-B licht rate limiting, dat wil zeggen dat er een ingebouwde rem op het proces zit. Genoeg is genoeg en al na twintig minuten in de volle zon wordt de fotosynthese gestopt. In de tweede plaats is het niet denkbeeldig dat mensen met een lange achtergrond op hogere breedten zijn aangepast aan de seizoenen en dat hun organisme dus een eb en vloed van vitamine D-spiegels verwacht. Bovendien is er in the real world geen krachtig vitamine D-signaal zonder een gelijktijdig daglicht-signaal, waardoor slikken in de winter een circadiane mismatch zou kunnen betekenen. Vanuit evolutionair perspectief zou dit logisch zijn. Arts/onderzoeker Staffan Lindeberg heeft van meet af aan gewaarschuwd tegen het lukraak nemen van hoge doses vitamine D en lijkt gelijk te krijgen. De eerste studies naar het gebruik van extra vitamine D pakken niet gunstig uit, met name niet op het gebied van hart- en vaatziekten. K2 is ook hier in elk geval deels de missende factor. Vitamine D zorgt ervoor dat calcium uit de darm wordt opgenomen en door het lichaam wordt gedistribueerd, maar dat is het. Vervolgens is vitamine K2 nodig om te bewerkstelligen dat de afgeleverde calcium daar terecht komt waar het hoort. Is de co-factor afwezig, dan kunnen hoge D-spiegels het atherosclerotische proces juist aanjagen. Weer een bewijs dat de biologie zich niet laat afsnijden en dat je altijd moet oppassen wat je doet. Dr. Kate Rhéaume-Blue, een Canadese arts die veel literatuuronderzoek heeft gedaan naar vitamine K2 en een voorstander is van suppletie in de vorm van MK7, zegt in haar praktijk relatief vaak slachtoffers van ondoordacht vitamine D gebruik te zien. “Het meest dramatische geval betrof een man die een hoog gedoseerd vitamine D supplement was gaan slikken voor zijn hart,” vertelt ze. “Een jaar nadat hij daarmee was begonnen kreeg hij een massief hartinfarct. Uit een scan bleek dat de sterk voorspellende calciumscore in zijn kransslagaderen, die hij al eerder had laten bepalen, in korte tijd zeer sterk was gestegen. Ik ben niet tegen het corrigeren van lage vitamine D-spiegels met supplementen, maar er moet beslist K2 en eigenlijk ook retinol tegenover staan.”

Tot slot terug naar de kaas. Het zal je zijn opgevallen dat ik in het hoofdstuk over de negatieve gezondheidsaspecten van zuivel eigenlijk alleen melk benoem. Kaas is een aparte druif in het zuivellandschap. Waar melk epidemiologisch keurig correleert met de pathologie die je op grond van zijn samenstelling zou voorspellen, is kaas voor veel ziekten min of meer neutraal en lijkt het zoals we zagen voor hart- en vaatziekten ronduit beschermend te zijn. Is het hoge K2-gehalte ervan in een grotendeels K2-deficiënte populatie dermate therapeutisch dat de eventuele negatieve aspecten ervan daardoor deels worden uitgevlakt? Of gebeurt er bij het maken van kaas iets waardoor de negatieve eigenschappen van melk teniet worden gedaan? Op dit moment bestaat hierover helaas geen echte duidelijkheid. Vaststaat dat de meeste harde kazen vanwege het fermentatieproces dat ze hebben ondergaan vrijwel geen lactose meer bevatten. De potentieel nadelige effecten van galactose zijn dus niet aan de orde. Verder zijn er aanwijzingen dat diverse bioactieve stoffen, waaronder de boviene micro-RNA’s, door het fermentatieproces worden ontmanteld. Kaas blijft echter een royale leverancier van caseïne, een eiwit dat notoir in verband wordt gebracht met ondermeer kanker. En in het paleolithische menu kwam de delicatesse definitief niet voor. Je kunt prima gezond zijn zonder kaas. Maar als je boterhammen eet, doe er dan vooral dik Goudse kaas op.

De n=1 bank telt vele, deels goed gedocumenteerde anekdotes van mensen die gezondheidsverbeteringen zien nadat ze zijn overgestapt op een paleolithische voeding plus kaas. In de Ancestral scene wordt deze stroming aangeduid als Primal. Een ieder moet zijn eigen weg zoeken in deze jungle en kaas is natuurlijk gewoon verschrikkelijk lekker. Voor wie er belang in stelt, zelf ben ik kaaskop af. Voor mijn K2 vertrouw ik behalve op de conversie van K1 uit royale porties groene bladgroenten, op viskuit, lever en een paar keer per week enkele lepels natto. Dat laatste voor alle zekerheid. Tot wetenschappers als Cees Vermeer meer betrouwbare ANWB-borden hebben geplaatst in de doolhof van het vitamine K metabolisme, beschouw ik natto als goedkoop neolithisch K2-vangnet. Twee lepels een paar keer per week zijn ruimschoots voldoende en ik vind het lekker. Helaas, het gaat wel om een boon, die dus potentieel minder wenselijke fytochemicaliën bevat. Het risico dat de wet van de onvoorziene consequenties me straks te grazen neemt, neem ik voor lief. Je moet tenslotte ergens aan doodgaan.

 

Geplaatst in Uncategorized | 334 reacties

Even geduld aub

De maker van dit blog is tijdelijk geheel offline. Excuses voor het eventuele ongemak. AHS-NL 2016: 22 oktober, LUMC, starring Alessio Fasano.

De maker van dit blog is tijdelijk geheel offline. Excuses voor het eventuele ongemak. AHS-NL 2016: 22 oktober, LUMC, starring Alessio Fasano.

Geplaatst in Uncategorized | 76 reacties

Zijn veel moderne ziekten dan toch infectieziekten?

154789-y84nPbQfBHKsHzia

Twitter is een fantastisch medium. Een beetje verslavend, je moet er mee om leren gaan, maar een potentiële goudmijn. Zo weet ik sinds ik Dolf Jansen volg dat Linda de Mol 70 is, iets waar je toch een hoop mee kunt.

Ian Spreadbury, die zoals iedereen die hier wel eens komt buurten weet wat mij betreft met stip het beste verklaringsmodel voor de grote metabole ziekten heeft, zit niet op twitter. Maar hij kijkt er wel!

En zo kon het gebeuren dat ik onlangs een mailtje van hem kreeg. Ik kwam na een zuiver utilitair heuveltraininkje – voor een laaglander als ik blijft het exotisch dat je hoogte weg moet slikken als je van huis naar het station en vice versa fietst, terwijl je gewoon in Nederland bent – thuis, opende mijn mailbox en daar stond het: Ian Spreadbury. Ik dacht even dat iemand een grap had uitgehaald, maar nee hoor, het was een vriendelijk antwoord op een door mij op twitter gestelde vraag, namelijk of The Spread daadwerkelijk het percentage koolhydraten in chyme had gemeten om op die evolutionair ‘normale’ 23% limiet te komen. Nee, dat had hij niet, schreef hij, dat zou een dure grap worden, maar hij nam aan dat zijn calculatie de werkelijkheid aardig benadert. Ik voelde me als een Rolling Stones fan die out of the blue wordt benaderd door Mick Jagger. Daar moest hij hartelijk om lachen, want in werkelijkheid is de toekomstige Nobelprijswinnaar natuurlijk ook maar een roepende in de woestijn. Zo heb ik professor Noakes diverse malen, de laatste keer face to face, gesmeekt om Spreadbury’s geniale synthese te lezen, maar ik betwijfel of hij het inmiddels heeft gedaan.

Ter leering ende vermaeck stuurde Spreadbury een artikel mee dat in september is gepubliceerd in het Journal of Oral Microbiology: Can Oral Infection Be a Risk Factor for Alzheimer’s Disease? Ik las het gisteravond pas goed. Wat moet je tenslotte anders doen op zo’n ordinaire vreetfeestdag als je het vieren van de zonnewende, twee dagen eerder, wel genoeg vindt. De paper is zonder meer aanleiding voor een kattenbelletje. Zacht uitgedrukt.

Het mag inmiddels genoegzaam bekend worden verondersteld dat wij mensen in de eerste plaats grote, ietwat gecompliceerde reactorvaten zijn voor een schier onmetelijke verzameling micro-organismen. Het genoom van de bacteriën, virussen en fungi die de dienst uitmaken (ons microbioom) is vele, vele malen groter, complexer en machtiger dan ons ‘eigen’ genoom. Bacteria rule the world en als je geluk hebt ben je gezegend met een microbioom dat erop aan stuurt samen met jou zo lang mogelijk van de partij te zijn. Het microbiologische ecosysteem waarmee wij co-evolueerden voert een hoofdzakelijk vriendelijke dialoog met ons genoom, misschien wel de belangrijkste reden voor de hoegenaamde afwezigheid van metabole ziekten in jager/verzamelaars.

Ik zal je niet gaan vermoeien met de fascinerende details van deze paper. Lees hem aandachtig of neem van me aan dat de auteurs zo ongeveer bewijzen dat Late Onset Alzheimer’s Disease (LOAD), de overwegend bij ouderen optredende huis, tuin en keuken variant van de ziekte van Alzheimer, een zuiver infectieuze etiologie heeft. Met name bepaalde spirocheten die verantwoordelijk zijn voor parodontitis – een inmiddels epidemische landbouwziekte waarbij de structuren die tanden en kiezen een stevig fundament verschaffen door een agressief ontstekingsproces worden afgebroken – reizen via bloedcirculatie en zenuwbanen gemakkelijk naar het brein, waar ze bij mensen met het ‘juiste’ genotype hersencellen naar hun ratsmodee kunnen helpen, daarbij geholpen door giftige metabolieten van die bacteriën (zoals LPS) en een uit de bocht schietende immuunrespons. De zogenoemde amyloïde plaques die bij autopsie in de hersenen van Alzheimerpatienten worden gevonden, spelen geen oorzakelijke rol in het ziekteproces, maar zijn de restanten van een verdedigingssysteem: amyloïde beta is een krachtig breedspectrum antibioticum. Dat helaas bij telkens terugkerende episodes van bacteraemie uit de zieke mond geen soelaas meer biedt. De agressieve mondbacteriën worden bij hun zenuwslopende werk vaak geholpen door het virus herpes simplex I, een voor beide pathogenen zeer lucratieve stealth combinatie waartegen geen tandvlees en geen brein bestand is. Ze stellen ook nog eens op een onvoorstelbaar clevere manier hun ijzerbehoefte zeker, maar dat terzijde.

Neem nog een kerstkransje.

Waarom deelt The Spread deze paper met mij, één van zijn 6 groupies? Antwoord: Omdat de infectieuze etiologie van de oude heer Alzheimer direct relevant is voor zijn eigen werk. Heel kort door de bocht luidt zijn hypothese, en schrijft u even mee, ook daar achter in de klas, als volgt (zie ook het sterk vereenvoudigde plaatje).

CU-Mm08U4AABPDA

Bij mensen die een evolutionair correcte, pre-agrarische voeding gebruiken, ‘ziet’ het microbioom in mond, maag en dunne darm tijdens danwel na het eten een brij (gekauwd eten, chyme) die op enig moment nooit meer dan 23% koolhydraten bevat. Mikken wij zeer laat aan ons evolutionaire keukenkastje toegevoegde bronnen van compacte, acellulaire koolhydraten (kortweg granen en geëxtraheerde suiker) in de mix, dan bestaat het risico dat de ecosystemen in mond, maag en dunne darm overvoerd raken, net zoals een slootje waar kunstmest in lekt overvoerd raakt, met een overname door pathogene bacteriën en hun giftige metabolieten als gevolg. Dit voortdurend bijgevoerde, zieke ecosysteem zorgt vervolgens voor een chronische endotoxemie, een soort stille sepsis, die aan de basis ligt van ondermeer hypercholesteremie, hyperinsulinemie, glucose-intolerantie en the Lord knows wat nog meer.

Nog een kerstkransje. Of een oliebol. Kom op, niet zo bescheten. Zeg, ben jij zo’n gezondheids-Jezus of zo?

Parodontitis is een van de eerste ziekten die jager/verzamelaars oplopen zodra ze van een voeding met nauwelijks koolhydraten of met alleen bronnen van niet-compacte, cellulaire koolhydraten, overschakelen op een voeding met compacte, acellulaire koolhydraten. Het is een infectieziekte, maar aangezien de bacteriën die parodontitis veroorzaken alom tegenwoordig zijn, moet het milieu in je mond zodanig zijn dat ze er het door hen beoogde inflammatoire feestje kunnen bouwen. Eenmaal gevestigd, veroorzaakt dit zieke ecosysteem zoals we zagen ook oproer in het brein. Ondermeer daar, zeer waarschijnlijk ook in hart en bloedvaten. Bacteriën veroorzaken Alzheimer, maar wij creëren de omgeving waarin ze gedijen. De hersenen van mensen met Alzheimer zitten vol met spirocheten, Treponema en resten ervan. Onderzoekers kunnen ze zelfs opkweken uit hersenmateriaal. Een vraag die in mijn simpele hersentjes weergalmt zo aan het einde van weer een jaar is of ook andere grote ziekten misschien toch ‘ordinaire’ infectieziekten zijn. Van baarmoederhalskanker weten we het. Die wordt met 100% zekerheid veroorzaakt door hoog risico Humaan Papilloma Virussen (hrHPV). Talloze mensen zijn er mee besmet, maar bij ‘slechts’ enkele vrouwen persisteert het virus dusdanig lang dat de kanker kan ontstaan. Waarom? Heeft het iets te maken met het brood en pasta-geinduceerde glycolysedominante metabolisme dat veel virussen prefereren? En hoe zit het met diabetes? Wordt de alfa- en betaceldysfunctie soms gemedieerd door een infectie die alleen mogelijk is in een door neolithische koolhydraten geeutrofieerd ecosysteem? Is er sprake van een infectie in de pancreas of de hypothalamus? Het zou allemaal zomaar kunnen.

Leuk feitje om mee af te sluiten: ketonen hebben een vrij krachtig antibiotisch effect, iets dat al sinds de jaren ’30 bekend is. Net als voeding uit zee, het ecosysteem waarin wij mens werden. Waarover veel meer in mijn boek🙂 . Ook leuk is de waarneming dat mensen die paleo gaan vaak geen flair ups van koortslip (herpes simplex 1) meer krijgen, acne (Propionibacterium acnes) zien verdwijnen en minder blaasontstekingen melden.

Dan nog een waarschuwing van Edith Feskens, hoogleraar Voeding en Gezondheid in de Levenscyclus te Wageningen. Ingehuurd door de Suikerbusiness zegt ze: “Op internet staat een hoop onzin.” Waarna ze het slapende deel der natie oproept om toch vooral ‘normaal’ te blijven doen. Prima natuurlijk. Maar dan zou ik ook graag een kleine waarschuwing geven. ‘Normaal’ doen leidt over het algemeen tot een ‘normaal’ fenotype. Zoals dat van mevrouw Feskens. Een ‘normaal’ neolithisch eetpatroon genereert oude mevrouwen van 50. Biologie liegt niet. Zo’n fenotype wordt geassocieerd met alle narigheid waar deze door een foute industrie gekochte wetenschapper tegen zegt te vechten. Dat’t maar even gezegd is.

Skärmavbild 2015-12-22 kl. 09.54.46

En als we dan toch fout bezig zijn, hier nog wat fenotypen. Boven de sprekers op een congres van conventionele diëtisten, onder de sprekers op het low carb congres dat begin dit jaar werd gehouden in Kaapstad.

De conventionele diëtisten en voedingsdeskundigen…

B-__X9WU0AA9otM.jpg-large

en Kaapstad…

B_AGn7QXIAAp9ZG.jpg-large

Need I say more? En na deze zeer foute exercitie, op twitter door sommige nitwitten bestempeld als ‘fat-shaming’, waar het niets mee te maken heeft, ik wijs slechts letterlijk op de olifant in de kamer, wens ik de 6 trouwe lezers van dit schromelijk verwaarloosde blog een mooi 2016. Ik hoop dat we elkaar in september zien op AHS-NL in Leiden! Voor de echte Nerds: Spreadbury spreekt in augustus op het moedersymposium in Boulder, Colorado. Cheers!

Naschrift: reactie KeerDiabetesOm diëtiste Connie Hoek (staat ook hieronder, maar is eigenlijk een post op zich).

Skärmavbild 2015-12-28 kl. 18.52.14

 

Geplaatst in Uncategorized | 130 reacties

Voeding op maat is een nonsens concept

goldberg_rube

 

Triomfantelijk toeteren de media het van de daken. Of wat je eet goed of slecht voor je is, is een hoogstpersoonlijke aangelegenheid. Het is allemaal veel ingewikkelder dan we dachten. Mensen zijn unieke sneeuwvlokjes, die allemaal een persoonlijk, taylor made menu nodig hebben om überhaupt een kans te hebben zonder noemenswaardige gezondheidsproblemen de vijftig te halen. De één kan niet tegen tomaten, de ander niet tegen vlees, een derde neemt zonder het te weten een voorschot op een dialyse-abonnement of strippenkaart voor de amputatiekliniek door bananen te eten. In de toekomst kunnen we dit soort biologische discriminatie voorkomen door simpelweg een staaltje van de darmflora te maken en aan de hand daarvan gerichte voedingsadviezen te geven. Melden de kranten. Dus.

Print

Aanleiding voor deze vergaande conclusies en hallelujah-voorspellingen is een op zich aardig Israëlisch experiment dat twee dagen geleden werd gepubliceerd in Cell. Onderzoekers Eran Segal en Eran Elinav van het Weizmann Institute of Science verzamelden via vragenformulieren de eetgewoonten van 800 van de straat geplukte mensen. Ook registreerden ze allerlei antropometrische waarden (buikomvang, vetverdeling, spiermassa), bloedwaarden, hoeveelheid lichaamsbeweging en – aan de hand van poepmonsters – een vingerafdruk van het microbioom in de colon. Vervolgens hielden de deelnemers gedurende een week een voedseldagboek bij, terwijl hun bloedsuikerspiegel met behulp van semi-permanente bloedglucoseregistratie continu werd gemeten. Zo verzamelden ze de bloedsuiker-respons op bij elkaar 46.898 maaltijden. Al die data stopten ze in een gemoderniseerde zakjapanner, die – Weizmann is vooral een wiskundig instituut – uitrekende dat verschillende levensmiddelen bij verschillende mensen een compleet verschillende bloedsuikerrespons geven. Volgens de gepimpte zakjapanner kreeg een mevrouw diabetische suikerwaarden na het eten van tomaten. Diverse meneren kwamen in de karamelzone na het eten van vlees. Enzovoort.

Segal en Elinav valideerden de Casio/Texas Instruments-voorspellingen in een onafhankelijke cohort van 100 personen en gooiden er vervolgens als klap op de vuurpijl een interventiestudie tegenaan met 28 deelnemers. Resultaat: door mensen op basis van het magische algoritme specifieke, op hun persoonlijke situatie toegesneden voedingsadviezen te geven, werden hun postprandiale bloedsuikerpieken minder pathologisch en veranderde de samenstelling van het microbioom in hun colon op een consistente manier. Conclusie: ‘Onze resultaten suggereren dat individuele, op maat gesneden voedingsadviezen hoge bloedsuikers na de maaltijd en de metabole gevolgen ervan kunnen modificeren.’

Het is leuk dat wetenschappers het microbioom in het spijsverteringsstelsel serieus beginnen te nemen. Het is ook leuk dat ze langzaam maar zeker beginnen in te zien dat postprandiale glucose-spikes waarschijnlijk een belangrijke aanwijzing voor naderend fysiologisch onheil zijn. Toch vind ik dit een nogal heilloze exercitie, met potentieel averechtse implicaties. Als je 800 Israëliërs van de straat plukt, dan heb je een groep die voor tenminste de helft bestaat uit mensen met een mediocre metabole gezondheid. Veel deelnemers vertonen de meeste of alle kenmerken van het Metabool Syndroom. Je hebt een groep te pakken die karren vol meelproducten en een record hoeveelheid linolzuurrijke plantenvetten consumeert. Je meet dus in een zieke populatie, zonder te beschikken over een gezonde controlegroep. De waarneming dat vlees en tomaten bij sommige deelnemers tot een pathologische bloedsuikerverhoging leiden (als je dat algoritme al mag vertrouwen, er was geen sprake van directe meting) zou een belletje moeten doen rinkelen. Het is vrijwel ondenkbaar dat mensen in hun natuurlijke habitat een bloedsuikerprobleem zouden krijgen van levensmiddelen die de eigenschappen vertonen van het voedsel dat we gedurende 2,5 miljoen jaar bij elkaar jaagden, visten en verzamelden en waar ons genoom en dat van ons microbioom dus raad mee weet. Als iemand diabetische waarden krijgt van een tomaat, een banaan of een biefstuk, dan is hij metabool ongezond. Het probleem zit hem niet in die tomaat of die banaan of die biefstuk, het zit hem in de context van zijn westerse voeding. Het is zeer onwaarschijnlijk dat het wegnemen van die individuele boosdoeners behalve tot een (tijdelijke?) correctie van postprandiale bloedsuikers ook tot een volledig metabool herstel zou leiden. Ik zou bijvoorbeeld de Kraft-patronen van deze mensen wel eens willen zien. Het is heel wel mogelijk dat de normalisering van de bloedsuikercurve gepaard gaat met een insulinecurve die nog pathologischer is dan hij in de onderhavige gevallen hoogst waarschijnlijk al was.

Metabool Syndroom is een gevolg van een gruwelijk verstoord ecosysteem in de dunne darm, zoals zo prachtig geformuleerd door Ian Spreadbury. Hoofdoorzaak: een vanuit evolutionair perspectief volstrekt ongekend aanbod van compacte, acellulaire koolhydraten, waardoor de koolhydraatconcentratie in het chyme geregeld veel hoger is dan de 23% die onze dunne darm en het aldaar aanwezige microbioom gedurende de 2,5 miljoen jaar van onze ontwikkeling zagen. Corrigeer dat en je hebt vermoedelijk helemaal geen ingewikkelde, op maat gesneden voedingsadviezen nodig (zie plaatje).

CTiC3YFVEAA-WeP.jpg-large

Mensen zijn geen unieke sneeuwvlokjes. Zoals katachtigen zijn geëvolueerd om uitsluitend vlees te eten, zoals gorilla’s zijn geëvolueerd om uitsluitend bladeren en jonge scheuten te eten, zo zijn wij geëvolueerd om te gedijen op een voeding met locatie- en seizoensafhankelijke aandelen vlees, vis, schaaldieren, eieren, insecten, noten, eetbare bladeren, fruit en eetbare knollen. Grootste gemene deler: geen compacte, acellulaire koolhydraten. Spreadbury rules. Leuker kunnen we het niet maken, al zullen mensen tot in lengte van dagen aan die biologische wet blijven tornen, omdat gewoon nu eenmaal nooit goed genoeg is.

Gisteren met the one and only Henk Westbroek en een fantastisch grappig team van RTV Utrecht voedsel wezen verzamelen. Eerst in het bos, daarna in een nabij gelegen Appie. Tipje van de sluier: Henk get’s it🙂 .

Ancestral Health Symposium wordt volgend jaar gehouden in Leiden op een absolute toplocatie.

Ben benaderd door een serieuze uitgever en heb besloten het niet allemaal zelf te doen, maar met deze speler in zee te gaan.

Geplaatst in Uncategorized | 44 reacties