Paleoheld op sokken

In september 2006 liet ik me voor een tijdschrift tien dagen lang verbannen naar de Zweedse bossen. Het was een fantastische, maar ook confronterende ervaring. ‘Moet ik dit trillende, weerloze wezentje de strot doorsnijden?’ Verslag van een paleoheld op sokken, met hier en daar een fantastisch achterhaalde gedachte.

Op een snikhete middag in september trapt goede vriendin Anna me langs een godvergeten steenslagweg waar wel twee auto’s per week passeren uit haar heerlijk koele Saab. Ze verdwijnt in een stofwolk die ik nog meedogenloos lang over de zinderende graanvelden zie trekken. No way back. Het voelt onwezenlijk en ik ben ontegenzeggelijk nerveus. Dit is natuurlijk een bezopen idee. In m’n rugzak zit een complete buitensportzaak, maar géén voeding, nog geen doosje rozijnen! Zelfs de waterfles is leeg en ik vraag me af of dat bij 28 graden Celcius niet wat al te rigoreus is. Waar begin ik aan. Tijdens een fietstocht in Noorwegen heb ik eens door een blunder een dag moeten rijden op een ons muesli en een blikje makreel. Het was een ramp. In gedachten zie ik een reddingsheli, met aan een touwtje het uitgemergelde karkas van alweer zo’n idioot die zichzelf zonodig moest bewijzen.

Na drie kilometer stappen door een dicht dennenwoud bereik ik de plek waar ik de komende tien dagen mijn bivak zal opslaan. Het is aan de oever van Öllesjö, een van de vele kleine zoetwatermeertjes in Blekinge, ook wel Zwedens Boomgaard genoemd. ‘Als je maar goed in je hoofd stampt wat je beslist níét moet eten, kun je daar in deze tijd van het jaar prima gedijen,’ heeft Anna, biologe, opgegroeid in deze geweldige negorij, me verzekerd. De detailkaart laat zien wat ze bedoelt. In een straal van vijf kilometer rond het meer vind ik loofbos, naaldbos, talloze open plekken, moeras en zelfs wat wilde weidegrond.

Ze waarschuwde me wel voor het alom tegenwoordige Cicuta virosa, ofwel springkruid; het dodelijkste groenvoer dat een gematigde, waterrijke streek voortbrengt. Het niet onaangenaam riekende gewasje met allerliefste witte bloempjes lijkt sterk op het wèl eetbare ‘hondenkoekje’, maar het bevat cicutoxine, een stof die inwerkt op het centraal zenuwstelsel. Als een volwassene één worteltje eet, sterft hij binnen vijftien minuten tot een uur aan een hartstilstand of stokkende ademhalingsspieren. Noord Amerikaanse indianen gebruikten het als betrouwbaar zelfmoordmiddel voor de ouwelui. Ik besluit alles wat ook maar in de verste verte op dit giftige spul lijkt te laten staan.

Een shelter is snel gebouwd. Van rondslingerende takken trek ik een raamwerk op, schuin tegen een rotswand. Dat raamwerk bedek ik met drie lagen verse dennetakken. Het verzamelen daarvan vereist het nodige klauterwerk, maar de aap in mij komt in de gegeven omstandigheden verrassend snel tot leven. Als het uitgelaten jochie van zes sluip ik tussen de takken door. Het enige verschil met vroeger is dat me nu akelig helder realiseer dat ik mijn poten breek als ik naar beneden lazer. Dan inspecteer ik de belangrijkste levensvoorwaarde: het water in het meer. Hoewel me is verteld dat je dit water zonder risico zo kunt drinken, neem ik me voor het te koken. Je weet immers nooit of er niet ergens een kadavertje allerlei gezellige bacteriën ligt te verspreiden.

Op een beschut stukje kaalgevreten gras bouw ik van zwerfkeitjes een vuurplaats, mijn keuken voor de komende dagen. Het kreupelhout is gortdroog en ontbrandt makkelijk. In een gevonden koffieblik brouw ik tegen zonsondergang m’n eerste dennennaaldenthee, naar een recept uit een Zweeds overlevingshandboek. Rijk aan vitamine C. Inmiddels laat mijn maag danig van zich horen, maar het deert me niet. Het idee een tijdje echt helemaal ‘vrij’ te zijn, vervult me met euforie.

Stemmingen kunnen snel omslaan. Als ik die eerste avond op mijn van berkenschors en dennentwijgjes geimproviseerde brits lig, beukt de stilte op mijn trommelvliezen. X zit thuis aan een wijntje en gaat straks nog met vrienden de stad in. Is deze actie in enig opzicht zinnig? Geritsel naast m’n slaapzak. Verbeeld ik het me of loopt daar iemand? Met bonkend hart luister ik naar de onheilspellende geluiden van het nachtelijke bos. Ik voel me alleen, piepklein en onderdruk de aanvechting om op te breken. Dat zou zwak zijn. Het is veel te vroeg om te zeuren. Ik denk aan die rugby-spelers die in 1972 neerstortten in de ijskoude, onherbergzame Andes. Ruim tien weken zaten ze vast, totaal geïsoleerd en al na een paar dagen werden ze doodgewaand. De sterksten konden overleven door hun kameraden die de bikkelharde strijd niet meer volhielden in reepjes te snijden en op te eten. Ik denk aan luitenant Onoda, een Japanse militair die in 1974 opdook in de jungle van een Filippijns eiland. Ooit had de commando een cruciale boodschap gemist en daardoor was hij in de veronderstelling dat de Tweede Wereldoorlog nog steeds in alle hevigheid voortwoedde. Bijna dertig jaar lang had hij zich zo onopvallend mogelijk in leven gehouden in ‘vijandelijk’ gebied, hopend op een spoedige ontzetting. Lichamelijk had het misverstand hem geen kwaad gedaan. In fysiologisch opzicht leek de oude knar een jongen van 25. En ik denk vooral ook aan John Fowles die na een schipbreuk twee maanden ronddobberde op de Atlantische oceaan. Vrachtschepen passeerden hem op nog geen kilometer afstand, maar hoe hij ook wuifde en schreeuwde, het notendopje werd op geen enkele brug gesignaleerd. De noodruftige zeiler overleefde op zeewater (tegen alle regels in), zeemeeuwen die het waagden op de rand van zijn vlot neer te strijken, op tranerige Dorado-vissen en vooral op een onvoorstelbare dosis wilskracht.

Ik zit niet op een 3000 meter hoge gletcher in de Andes, oorlog is het hier de laatste vijfhonderd jaar niet meer geweest en ik dobber ook niet onder een gloeiendhete zon op de oceaan. Ik, Hollands watje, lig te kniezen in een weelderig Zweeds bos, boordevol eetbaar spul. Zegt mijn lexicon.

De eerste twee dagen van het experiment leef ik als een fruitariër, dus uitsluitend op vlierbessen, bramen, wat bosaardbeitjes en mierzure wilde appels. Een regiem waar je snel zweverig van wordt. Je blijft overeind, maar daar is zo ongeveer alles mee gezegd. Om voldoende energie binnen te krijgen, moet je ontzettend veel fruit eten – letterlijk kilo’s per dag. De enkelvoudige, ‘snelle’ suikers die de vruchtjes leveren, hebben geen lange adem. Een portie bramen geeft net genoeg brandstof om een nieuw maaltje te verzamelen. Na ongeveer een uur ben je opnieuw flauw. En niet zo’n beetje ook. Als ik aan het eind van de tweede dag vuur probeer te maken, word ik trillerig en verschijnen er zwarte vlekken voor m’n ogen. Ik ben door mijn reservetank heen.

Red je tien dagen lang zonder meegebrachte voeding, luidde de opdracht van hoofdredacteur XXX, op een vloeibare namiddag in een Mokumse kroeg. Niet passief, als een hongerstaker die zijn energieverbuik tot een minimum beperkt, maar als een actieve overlever die zijn kansen wil verbeteren. Ik was aangeschoten en zei direct ja. Shit happens, denk ik nu. Om constructief te kunnen blijven denken en doen, moet ik zorgen voor vet, wat eiwit en complexe koolhydraten. Dit weet elke padvinder. Overlevingslevingsdeskundigen raden het af om je direct te concentreren op jacht, zeker als je alleen bent. Jagen kost veel meer energie dan het verzamelen van plantaardige voeding [miezerig gezwets].

Samengestelde koolhydraten wil ik hebben, om de glycogeenvoorraad op peil te brengen en te houden [heeeeeeelp, gezwets]. Met een knorrende maag denk ik aan de macaroni, salami, kaas, olijfolie, sardines en knoflook die op ‘gewone’ fietsreizen mijn culinaire genot vormen [dat van die macaroni was toen al niet meer waar]. Het hondenkoekje (Anthriscus sylvestris) groeit hier volop. De wortels van dit onkruid kun je rauw eten. Ze geven veel koolhydraten. Ik durf echter niet, omdat het gewas zo verdomd veel lijkt op het dodelijke springkruid. Lang zoek ik naar hazelnoten. Die leveren koolhydraten, vetten en eiwitten en vormen zodoende een haast perfecte noodvoeding. Ik vind twee hazelaartjes, maar ze zijn nog te jong om noten te dragen. Terwijl ik piekerend door de overlevingsliteratuur blader, herinner ik me dat ik langs een beek een rits stinksigaren heb zien staan. Zou ik daar iets mee kunnen? Gejaagd race ik door het boek met Zwedens 236 eetbare gewassen. Yes! De oude vertrouwde stinksigaar, Typha latifolia, wordt mijn redding. Bioloog Stefan Källman, adviseur van de Zweedse commando’s, omschrijft het als een buitengewoon energierijk gewas dat veel indianenstammen als basisvoedsel diende.

Vrijwel alles van de stinksigaar is eetbaar, maar ik concentreer me op het merg in de wortel. Dat bevat maar liefst 609 gram zetmeel per kilo. Goed te weten als in de polder de pleuris uitbreekt! Wroetend in de moerassige bodem haal ik meterslange wortelstelsels naar boven. Time flies when you’re having fun. Opgetogen stel ik vast dat ik hier voldoende duurzame energie heb om een jaar lang dagelijks een halve marathon te lopen. Bij wijze van spreken. ’s Avonds eet ik me tonnetjerond aan gesteengrilde stinksigarenbrei met gestampte appel, rozenbottelcompôte en bramen. Het nagerecht bestaat uit gekookte ‘kozakkenasperges’, de licht bitter smakende wortelschalen. Een koningsmaal. Voor het eerst sinds m’n dropping ga ik echt verzadigd te kooi, maar niet voordat ik, psychologisch gesterkt als ik ben, een konijnenval uit The SAS Survival Handbook heb gefabriekt. ’s Nachts breekt de hemel open en blijkt dat de drie lagen dennentakken mijn hut niet waterdicht maken. De volgende dag leg ik er een dikke laag loof overheen. Dat helpt.

Hoewel ik elke morgen routinematig een duik neem om heel erg wakker en een beetje schoner te worden, beginnen mijn kleren aardig te meuren. Vooral de onderbroek schreeuwt om een wasbeurt. Op de derde hete, gortdroge morgen was ik m’n hele zaakje in het meer. Het heldere water rondom de outdoorwinkel verandert in een troebele soep. Ik krijg de boel wel fris, maar niet echt schoon. Nu zal me dat onder de gegeven omstandigheden worst zijn, maar als de kleren op hete stenen liggen te dampen, lees ik in de meegetorste overlevingsbibliotheek iets wat ik móét uitproberen: van berkenbladeren kun je zeep maken!

Even later sta ik driftig in het kookpotje te roeren. ‘Pluk verse berkenbladeren, meng ze met warm water en roer of schud’, gebiedt de literatuur. De saponinen komen vrij en na twintig minuten begint het goedje vervaarlijk te schuimen. Nu moet m’n superbiologische Dreft klaar zijn. Ik vis de bladermoes uit het koffieblik en inderdaad, het water voelt zepig aan, een teken dat het basisch is geworden. Alles wat gewassen kan worden krijgt die middag een beurt. Een homp mos – overigens ook hèt middel om de billen na de grote boodschap (beduidend kleiner dan thuis) mee schoon te vegen – dient als spons. Als alles klaar is, duik ik te water en was m’n vette haar. Het werkt als een tiet. Fantastisch.

Shit. Als ik op de zesde dag mijn ogen open, zit er een konijn in de val. Het beestje spartelt hulpeloos in twee stroppen, die door veerkrachtige berkentwijgen stevig om z’n hals worden getrokken. Ik had de hoop al opgegeven, vermoedende dat zelfs konijnenhersentjes dit gemene trucje zouden doorzien. Volgens evolutiegeneeskundige Loren Cordain, een van mijn helden, zou ik nu bloeddorstig moeten toeslaan. Maar mijn testosteronspiegel zakt me totaal in de sandalen. Moet ik dit trillende, weerloze wezentje de strot doorsnijden, villen en van z’n ingewanden ontdoen? Weerzinwekkend! Ondanks mijn toenemende trek in iets hartigs besluit ik het potentiële barbecue-maaltje zijn vrijheid terug te geven. Zolang het me tegenstaat een dier te villen, heb ik z’n eiwitten kennelijk nog niet voldoende nodig. Het knaagdier maakt dat het wegkomt. Wat beteuterd neem ik nog maar eens een zetmeelkoekje met bramenprut. Ik ben blij dat mijn vriendin, een heldin die zonder omhaal kippen slacht en plukt, me niet kan zien.

Hoewel ik me beslist energiek voel en de flauwe trilhonger van de eerste twee dagen dankzij de zetmeelrijke wortelen en een mooi dragende hazelnootboom die toch nog op mijn pad kwam niet meer is teruggeweest, wordt me steeds duidelijker hoezeer ik een product ben van de moderne consumptiemaatschappij. Het is verhelderend en louterend om af en toe eens flink op jezelf te worden teruggeworpen, maar ik kom tot het besef dat de beschaving, de eindeloos complexe verzameling sociale netwerken die de aarde omspant, de natuurlijke habitat van de mens is. De beschaving is het resultaat van onze natuurlijke evolutie, de back to basics-gedachte is in essentie romantische, zelfs tegennatuurlijke bullshit. We kunnen enkele lessen trekken uit ons evolutionaire verleden – wat we ongeveer moeten eten, hoeveel licht en UV-B straling we nodig hebben, waarom we primitief reageren op moderne prikkels – verder moeten we gewoon lekker door evolueren in onze steden, kantoren, fabrieken, auto’s, sportcentra, huizen… De volmaakte incarnatie van die zo node gemiste beschaving verschijnt in de vierde nacht in vol ornaat in mijn shelter: Katie Melua. Haar magistrale nummer The Closest Thing to Crazy jaagt volgens een tutje van de Volkskrant vooral oude, gefrustreerde mannen het hoofd op hol. Dan maar een oude, gefrustreerde man. Ik hoor haar ruwfluwelen uithalen alsof ze naast me staat. Overdag worden deze sociale afkickverschijnselen overstemd door hallucinaties van druipende hamburgers en frikandellen speciaal. Met het uur nemen deze ‘beschavingssymbolen’ groteskere proporties aan. Opvallend. In Nederland leef ik tamelijk politiek correct. ‘s Werelds bekendste fastfoodketen bezoek ik voornamelijk voor z’n uitstekende en goedkope koffie. Maar teruggeworpen op de naakte essentie van het bestaan moet ik constateren dat mijn krachtigste verlangens behalve naar warm damesvlees en muziek toch vooral uitgaan naar een klef broodje met gecamoufleerd slachtafval en een kledder ketchup á raison van 2 euro nog wat.

In de ochtend van 16 september 2006 – na tien etmalen van totale eenzaamheid en selfsupporting – neem ik afscheid van de stinksigaren, hazelnoten, korstmossen, paardenstekken, bramen, frambozen, vlierbessen, beukennootjes, brandnetels, berken, wilde appels en al het andere gratis voedsel dat deze ongerepte natuur voortbrengt. Op een halfuur lopen ligt de verlaten B-weg naar het gehucht Backaryd, waar Anna me rond het middaguur weer zal oppikken. Terwijl ik de laatste kilometers in mijn tijdelijke privé-jungle afleg, bedenk ik dat ik mijn bestaan als ‘caveman’ nog wel een tijdje had kunnen volhouden. Het uitsluitend bezig zijn met het vergaren van je eten, in feite onze oerbestemming, geeft een met geen pen te beschrijven voldoening en rust, al begon de laatste dagen de verveling toe te slaan. Maar tegelijkertijd moet ik toegeven dat het experiment uitsluitend kon slagen dankzij een paar heel gunstige randvoorwaarden:

  • De Zweedse herfst van 2006 was mild en droog. Vuur maken was kinderspel, zelfs zonder lucifers of aansteker. Het gortdroge sprokkelhout vatte met hulp van een vergrootglas en wat schors gemakkelijk vlam. Vuur is cruciaal. Het is niet alleen noodzakelijk voor de bereiding van voedsel, ik ontdekte dat het ook een grote psychologische waarde heeft. Als ik ’s avonds onrustig was en niet kon slapen, maakte ik een vuur, staarde een poosje naar het nooit vervelende vlammenspel en kroop vervolgens met loodzware oogleden te kooi.
  • Ik kwam gemakkelijk aan betrouwbaar drinkwater.
  • Dit gebied biedt in de nazomer een rijke variatie aan eetbare gewassen. Ik profiteerde volop van de grote hoeveelheden prachtig rijpe bramen, rozebottels, bosbessen en bosaardbeitjes. Qua vitaminen en anti-oxidanten zat ik geramd. Het meeste had ik aan eetbare wortels, die erg koolhydraatrijk zijn.
  • Bodem en water waren niet vervuild met chemicaliën. Grof filtreren (bierblikje met gaatjes in de bodem, gevuld met humus) en koken garandeerden uitstekend drinkwater.
  • Tien dagen is niet lang. Boedistische monniken lachen er om. Je kunt je afvragen of je na een maand niet anders piept.

Terug in Groningen strijk ik neer in een park. Om in een vaal najaarszonnetje te genieten van het enige natuurschoon dat mijn noordelijke paradijs niet te bieden had. En om stiekem te proberen hoe een geciviliseerde paardenstek smaakt. Ik had het kunnen weten. Naar hondenpis.

 

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

4 reacties op Paleoheld op sokken

  1. Kirsten zegt:

    Wat een heerlijk verhaal voor de zondag! Stoer dat je het gedaan hebt. Ik moest in het stukje over het springkruid meteen denken aan de film “Into the wild” (gebaseerd op een waargebeurd verhaal). Over een jongen die na zijn afstuderen de absolute vrijheid opzoekt en uiteindelijk in de wildernis een verkeerde plant eet (hij haalde ook een giftige en niet-giftige door elkaar) en sterft. Mocht je deze nog niet gezien hebben, dan is het echt een aanrader.

  2. @rnold zegt:

    Beluister vooral de soundtrack van Eddie Vedder (zanger Pearl Jam)!

  3. JP zegt:

    Een verrukkelijk verhaal.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s